Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

357. Geheel in overeenstemming met Johannes Damascenus1, leerde daarom de scholastieke en Roomse theologie, dat iedere natuur in Christus wel zichzelf blijft en de mededeling van de Goddelijke eigenschappen aan de menselijke natuur niet reëel is te denken, maar dat toch de Goddelijke natuur de menselijke geheel doordringt en doorgloeit, gelijk warmte het ijzer, en haar de Goddelijke heerlijkheid en wijsheid en macht deelachtig maakt (pericwrhsiv, yewsiv). Daaruit wordt dan afgeleid, dat Christus als mens reeds hier op aarde de scientia beata, de visio Dei bezat; Jezus was reeds op aarde een comprehensor ac viator, wandelend door aanschouwen en niet door geloof; van geloof en hoop kan en mag er bij Hem geen sprake zijn. Voorts werden al de gaven, waarvoor de menselijke natuur van Christus vatbaar was, Hem niet allengs, maar terstond, in eens, bij zijn menswording geschonken. Als mens bleef Hij wel eindig en beperkt; ook had Hij in de staat van zijn vernedering allerlei defecten (vatbaarheid voor lijden en dood) en affecten (aandoeningen van smart, honger, koude enz.). Maar Hij ontving toch bij zijn menswording in eens alle wijsheid, waarvoor zijn menselijke natuur vatbaar was. Zijn toeneming daarin, Luk. 2:52, is niet objectief maar subjectief te verstaan; het scheen aan anderen zo toe; ook bad Hij niet uit behoefte, maar alleen om onzentwil, om ons een voorbeeld te geven. Jezus was eigenlijk nooit kind, Hij was dadelijk man. En omdat zijn menselijke natuur zo door de Goddelijke verheerlijkt en vergoddelijkt is, daarom heeft ook zij recht op en is ook zij voorwerp van aanbidding; ja ieder deel van de menselijke natuur van Christus, zoals inzonderheid het heilige hart, is Goddelijke verering waardig2.

Dezelfde grondgedachte treffen wij aan in de Lutherse theologie. Maar zij is hier toch anders uitgewerkt en toegepast. Griekse en Roomse theologie leerden wel een mededeling van Goddelijke gaven, maar niet van Goddelijke eigenschappen aan de menselijke natuur; en zij leerden ook wel een ware en wezenlijke mededeling van de Goddelijke eigenschappen, maar dan niet aan de menselijke natuur als zodanig, doch aan de hypostase van beide naturen. Luther echter leerde, dat ook reeds in de staat van de vernedering de mensheid van Christus was, waar de Godheid was, en dat beide naturen niet alleen in de persoon maar ook beide onderling met haar eigenschappen “vereinigt und vermischt” waren3. Daarom konden de Roomse theologen de Lutherse Christologie en vooral de ubiquiteitsleer eenparig bestrijden4. Maar toch is er, hier evenals in de leer van het avondmaal, verwantschap. De Luthersen leren toch uitdrukkelijk, dat de beide naturen in Christus nooit vermengd of in elkaar veranderd worden, maar dat elk van beide tot in eeuwigheid zichzelf blijft en haar wezenlijke eigenschappen behoudt en nooit de eigenschappen van de andere natuur tot haar eigen ontvangt5. Ook zeggen zij niet, dat alle Goddelijke eigenschappen in gelijke zin en in gelijke mate aan de menselijke natuur worden meegedeeld; de quiescente eigenschappen van oneindigheid enz. werden haar niet zelf rechtstreeks, doch alleen door bemiddeling van de andere eigenschappen geschonken; de operatieve echter, zoals alomtegenwoordigheid, almacht, alwetendheid, werden rechtstreeks en onmiddellijk het deel van de menselijke natuur; en zelfs schreef men haar dikwijls niet alleen de multivolipraesentia of ubiquitas in de zin van Chemniz, maar bepaald de omnipraesentia toe6. En zakelijk komen Roomse en Lutherse theologie daarin overeen, dat zij de menselijke natuur boven de haar gestelde grenzen verheffen en de menselijke ontwikkeling van Jezus benevens de staat van zijn vernedering in schijn oplossen.

Bij de ontwikkeling van de Lutherse theologie is dat al zeer duidelijk uitgekomen. Bij de menswording nl. werd wel niet temporeel, maar toch logisch onderscheid gemaakt tussen de incarnatio (assumtio carnis) en de exinanitio (conceptio in utero). Van de eerste is alleen de Logos subject; en zij bestaat daarin, dat Hij de in zichzelf eindige menselijke natuur vatbaar maakt voor de inwoning van de volheid van de Godheid en haar de bovengenoemde Goddelijke eigenschappen mededeelt. Maar op deze manier dreigde niet alleen het onderscheid tussen Goddelijke en menselijke natuur, maar ook dat tussen de staat van vernedering en van verhoging geheel teloor te gaan. Daarom nam men aan, dat in het tweede moment, in de exinanitio, van welke niet de Logos, maar de Godmens het subject was, deze de eerst medegedeelde eigenschappen weer in zekere zin afgelegd had. Maar over de aard van deze exinanitio was er groot verschil en werd er zelfs tussen de Giessense en Tubingse theologen een langdurige strijd gevoerd (1607-1624). Volgens de Tubingers legde Christus alleen het publieke gebruik van die eigenschappen af; Hij behield ze wel en Hij gebruikte ze ook, want de onderscheiding tussen potentia en actus gaat bij de Goddelijke eigenschappen niet op; een potentiële alomtegenwoordigheid, alwetendheid enz. is ongerijmd; maar Christus gebruikte die medegedeelde eigenschappen in de staat van zijn vernedering alleen op latente, verborgen wijze (krufiv crhsewv); de staat van de verhoging is niets anders dan een zichtbaar vertonen van wat onzichtbaar reeds van het uur van de ontvangenis af bestond. Op deze wijze werd echter heel de menselijke ontwikkeling van Jezus, zijn toenemen in kennis en wijsheid, zijn hongeren en dorsten, zijn lijden en sterven slechts schijn. En daarom zeiden de Giessense en de latere Lutherse theologen liever, dat Christus in het moment van de exinanitio heel het gebruik van de medegedeelde eigenschappen had afgelegd (kenwsiv crhsewv); Hij bleef ze wel behouden, maar alleen potentia, niet actu; pas bij de verhoging nam Hij ze ook in gebruik7.

De Gereformeerden verkeerden van de aanvang af in veel gunstiger conditie; zij hebben de Griekse, Roomse en Lutherse vermenging van het Goddelijke en menselijke ook in de leer van Christus principiëel overwonnen. Ofschoon de eenheid van de persoon ten strengste gehandhaafd, hebben zij ook op de menselijke natuur van Christus de stelregel: finitum non est capax infiniti toegepast, en deze niet alleen in de staat van de vernedering, maar ook zelfs in die van de verhoging gehandhaafd. Zo kreeg de Gereformeerde theologie ruimte voor een zuiver menselijke ontwikkeling van Christus, voor een successieve mededeling van gaven, voor een wezenlijk onderscheid tussen vernedering en verhoging. En toch heeft zij daarbij het Nestorianisme, waarvan ze steeds beschuldigd werd, ernstig vermeden. En dat kwam daardoor, dat in Griekse, Roomse en Lutherse theologie de nadruk altijd viel op de vleeswording van het Goddelijk wezen, van de Goddelijke natuur. Indien die natuur niet vlees wordt, schijnt het werk van de zaligheid. de gemeenschap met God, gevaar te lopen. Maar de Gereformeerde theologie stelde op de voorgrond, dat de persoon van de Zoon vlees is geworden; niet de substantie, maar de subsistentia van de Zoon nam onze natuur aan. In die persoon ligt de eenheid van de beide naturen, in weerwil van beider strenge onderscheiding, onwankeIbaar vast. Gelijk in de leer van de triniteit, van de mens als beeld van God en van de verbonden, zo treedt ook hier in de leer van Christus de Gereformeerde gedachte van het persoonlijke, bewuste leven als het rijkste en hoogste leven, zeer duidelijk op de voorgrond8.

1 Damascenus, de fide orthod. III 3. 7- 17. 19. Verg. Dorner, Lehre v.d. Person Christi II 267 v. Loofs, Dogmengesch. bl. 324.

2 Verg. verder nog, behalve de bovengenoemde literatuur; Kleutgen, Theol. van de Vorzeit III 3-333. Pesch, Prael. dogm. IV 1-17 4. Simar, Dogm. par. 94 v. Jansen, Theol. Dogm. II 567 v. Mannens, Theol. dogm. II 349 v.

3 Köstlin, Luthers Theol. II 392 v.

4 Benarminus, de Christo III 9. Petavius, de incarn. X7-10.

5 Form. Conc. ed. Müller, bl. 675, 676.

6 Form. Conc. bl. 685 v.

7 Verg. behalve Chemniz e.a. hovengenoemd, Dorner, Entw. II 771-847. Id., Gesch. van de prot. Theol. bl. 569 v. Frank, Theol. van de ConcordienformeI III 165-396. Schneckenburger, Vergl. Darst. par. 26. Id., Zur kirchl. Christologie. Die orthodoxe Lehre vom doppelten Stande Christi nach Luth. und Ref. Fassung 1868. Sartorius, Christi Person u. Werk I3 520 v. Philippi, Kirchl. Gl. IV 1 bl. 243 v. Art. Doppelter Stand Christi in RE.1 Art. Kenotiker und Kryptiker in RE.2 Art. Comm. id. in PRE3 IV 254-261. E. Weber, Der Einfluss der protest. Schulphilos. auf die orthod. Luth. Dogm. Leipzig 1908 bl. 96 v. 153 v.

8 Verg. behalve de bovengenoemde literatuur ook nog Owen, Declaration of the glorious mystery of the person of Christ, God and man, Works I en verder Walch, Bibl. theol. sel. I 259. M. Vitringa, Doet. V 45. 202.

x
This website is using cookies. Accept