Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

378. Het werk van Christus werd echter, evenals zijn persoon, door anderen geheel anders verstaan. De Ebionieten zagen in Christus slechts een profeet, die door zijn leer en voorbeeld de mens kracht geeft tot de strijd tegen de zonde. Voor de Gnostieken was Christus een eon van Goddelijke wijsheid, die in een schijnbaar menselijke gedaante op aarde verschenen was, om door verlichting en kennis de mensen uit de banden van de materie te bevrijden en hen tot pneumatikoi te maken. Tegenover dit speculatief rationalisme handhaafden de Montanisten het bovennatuurlijk, transcendent karakter van het Christendom, niet alleen in de persoon van Christus, maar ook in de door de Heilige Geest zich voortzettende openbaring, welke thans nog het deel van de gelovigen is, en de Christelijke religie uit de kinderlijke in de mannelijke leeftijd doet overgaan. In de dualistische, pantheïstische, apocalyptische en libertinistische secten van de Middeleeuwen bleef er ook voor Christus geen andere betekenis over, dan dat Hij in zijn tijd aan de mensen hun ware wezen en bestemming had geopenbaard, waardoor zij nu zelf in het tijdperk van de Geest worden kunnen wat Christus was; wat de Schrift van Christus leert, wordt in elk Christen verwezenlijkt; het eigenlijk sterven en opstaan van Christus heeft plaats in de wedergeboorte van ieder mens. Al deze gedachten werkten na in de eeuw van de Hervorming en leidden tot een sterke bestrijding van de leer van Luther en Calvijn. Niet de Christus voor ons, maar de Christus in ons, niet het Woord, maar de Geest was het wezen van de religie. Osiander leerde, dat Christus de eeuwige, Goddelijke wezensgerechtigheid in zijn menselijke natuur had meegebracht, en deze de zijnen door het geloof instort en zo hen rechtvaardigt1. Carlstadt, Franck, Schwenckfeld, Weigel ea. zagen in het vertrouwen op Christus’ toegerekende gerechtigheid een gevaarlijke dwaling; onze zaligheid ligt niet in hetgeen Christus buiten en voor ons, maar in wat Hij in en door ons doet, in de mystieke gemeenschap met God2. Deze mystieke opvatting van de verlossing door Christus vond ook later bij velen ingang. Böhme beschouwde de toorn van God en de dood als reëele, fysische machten, welke Christus door zijn dood overwonnen heeft en in plaats waarvan Hij een nieuw Goddelijk leven in de mensheid uitstort3. Bij de Kwakers heeft de verlossing wel haar oorzaak in Christus, maar Christus is zelf niet anders dan de samenvatting van de genade en het licht in de mensheid; de eigenlijke, ware verlossing is die, welke in ons geschiedt4. Antoinette Bourignon en Poiret noemden het plaatsvervangend lijden onmogelijk en onbehoorlijk; Christus kwam niet op aarde om voor ons te voldoen, maar om ons Gods vergevende liefde te prediken en door zijn leer en voorbeeld ons van zonde te reinigen5. Ook vatte J. C. Dippel het lijden en sterven van Christus op als een voorbeeld van zijn geestelijk middelaarschap, waardoor Hij de oude mens in ons doodt en de nieuwe doet opstaan; de verlossing geschiedt in ons; een objectieve verzoening is niet nodig, want er is geen toorn in God6. Volgens Zinzendorf is Christus de Schepper en Onderhouder aller dingen, de Jehova van het Oude Testament, die daarin vooral Gods liefde heeft geopenbaard, dat Hij zo klein, zo arm en zo nederig is geworden en zoveel heeft geleden; zijn lijden is niet zozeer straf en voldoening aan God, als wel vrijwillig en liefderijk martelaarschap; zijn bloed en zijn dood zijn daardoor de bron van het leven van de mensheid; de martelaarswonden van Christus’ zijde zijn de matrix van het menselijk geslacht, de oorsprong van de Geest, die van Christus in allen zich uitstort7. Swedenborg hield het geloof, dat het lijden aan het kruis de verlossing was, voor een gronddwaling, die met de leer van de triniteit de kerk te gronde had gericht. Het lijden aan het kruis was niet de verlossing, maar was voor Jezus de laatste verzoeking en, omdat Hij staande bleef, het middel van zijn verheerlijking; toen werd het menselijke in Hem met het Goddelijke van zijn Vaders verenigd, toen werd God waarlijk mens, kon Hij de vijandige zinnelijke machten van de hel naderen en ze overwinnen; de verlossing is een voortgaande, door God als mens teweeggebrachte onderwerping van de hel en ordening van de hemel8.

Maar niet alleen van mystieke, ook van rationalistische zijde kwam er bestrijding van de kerkelijke leer over het werk van Christus. Hiertoe kan gerekend worden de leer van Stancarus, dat Christus alleen naar zijn menselijke natuur onze middelaar en onze gerechtigheid is9, en ook de ontkenning van de obedientia activa door Karg (Parsirnonius), en door Joh. Piscator, die zijn denkbeelden het eerst uiteenzette in een brief in het jaar 160410. Karg nam in 1570 zijn gevoelen terug, doch Piscator vond steun bij Martinius, Crocius, Pierlus, Pareus, Wendelinus, H. Alting ea., en oefende later door Camero, Placaeus, Cappellus enz. een schadelijke invloed op de Gereformeerde theologie. Maar de ernstigste en degelijkste bestrijding van de satisfactio vicaria kwam van de kant van de Socinianen. Wel noemen zij Christus nog profeet, priester en koning11, maar feitelijk maken zij het priesterlijk ambt tot een aanhangsel van het koninklijk ambt. Toen Christus op aarde was, was Hij alleen profeet, die vóór het begin van zijn openbaar optreden door God in de hemel was opgenomen (raptus in coelum, Joh. 3:13, 31; 6:36, 62; 8:28; 10:2812, daar door God zelf met de waarheid was bekend gemaakt, en zo in staat was, om de wet te volmaken met nieuwe geboden, en aan de onderhouders van die geboden het eeuwige leven, en de heiligende kracht van de Geest te beloven13. Deze zijn leer heeft Christus bevestigd door zijn zondeloos leven, door zijn wonderen en vooral door zijn dood en zijn opstanding14. Zijn dood was nodig, om zijn volgelingen in hun vroomheid en heilige wandel tot het einde toe te doen volharden, en om Gods liefde tot ons klaar en duidelijk te bevestigen15, en zijn opstanding strekte, om ons aan zijn voorbeeld te doen zien, dat zij, die aan God gehoorzaam zijn, van alle dood worden bevrijd, en om aan Christus zelf de macht te schenken tot het geven van het eeuwige leven aan allen, die Hem gehoorzamen16. De dood van Christus had hier dus een geheel andere betekenis dan in de leer van de kerk; hij vormde geen zelfstandig moment in het werk van Christus, maar diende alleen, enerzijds om zijn leer te bevestigen en anderzijds om Hem te doen komen tot de opstanding, welke Hem eerst tot Koning en Heer in de hemel maakte17. En ook dit is Hij eigenlijk eerst geworden door zijn hemelvaart. De opstanding behoort nog tot de staat van de vernedering, want ook daarna had Hij nog een sterfelijk lichaam18. Maar bij de hemelvaart kreeg Hij een verheerlijkt lichaam, en werd Hij verheven tot Koning, Heer en God. Als zodanig ontving Hij van God de macht, om hun, die zijn voorbeeld volgen, in alle nood te ondersteunen en hen ten laatste met de onsterfelijkheid te belonen. Dat Hij dit doen kan, is zijn koninklijk; dat Hij dit doen wil, is zijn hogepriesterlijk ambt19. Priester was Hij dus op aarde nog niet20, zijn dood was niet het eigenlijke offer, maar de inleiding en voorbereiding ertoe; het ware offer brengt Hij nu in de hemel, evenals de Oudtestamentische hogepriester de verzoening eerst in het allerheiligste tot stand bracht21. En dat offer bestaat daarin, dat Hij de verzoening volbrengt, d.i. ons van de dienst en de straf van de zonde bevrijdt.

Van dit standpunt uit moesten de Socinianen de leer van de voldoening even sterk bestrijden als die van de triniteit en de Godheid van Christus22. Vooreerst is zij naar hun oordeel in strijd met de Schrift; de voorstanders kunnen geen enkele zekere plaats voor hun gevoelen bijbrengen; de Schrift zegt duidelijk, dat God de zonde uit genade vergeeft, en vergeving sluit voldoening uit; de uitdrukking, dat Christus voor ons geleden heeft enz., heeft geen plaatsvervangende betekenis, maar zegt alleen, dat Christus geleden heeft voor ons, niet om God te voldoen, maar om ons van de zonde te bevrijden; de woorden verlossing, verzoening en derg. duiden alleen aan, dat Christus ons de weg gewezen heeft, om van de dienst en de straf van de zonde bevrijd te worden, maar volstrekt niet, dat God door een offer moest verzoend worden, want God was ons genadig gezind en heeft ons dit door Christus bekend gemaakt.

Voorts is de voldoening ook niet noodzakelijk; de gerechtigheid en barmhartigheid in God zijn niet met elkaar in strijd, zij zijn ook geen eigenschappen, God van nature eigen, maar zij zijn effectus ipsius voluntatis en hangen van zijn wil af; of God de zonden straffen of vergeven wil, wordt in het geheel niet door zijn natuur, maar door zijn wil bepaald; God kan evengoed en beter dan een mens de zonden zonder voldoening vergeven; ja zijn gerechtigheid wordt door de voldoening te niet gedaan, omdat ze de onschuldige straft en de schuldige vrij laat uitgaan, en zijn barmhartigheid verliest haar waarde, als zij eerst na voldoening zich betonen kan; God heeft dan ook altijd aan de berouwhebbende vergeving beloofd, en gewild, dat wij Hem daarin zouden navolgen. Vervolgens is de voldoening ook onmogelijk; obedientia passiva is onmogelijk, omdat wel geldschulden, maar geen persoonlijke zedelijke schulden op een ander kunnen worden overgedragen; een onschuldige te straffen voor de zonde van een ander, is onrechtvaardig en wreed; en al was dit mogelijk, die andere zou dan hoogstens voor één enkel mens de straf van de zonde, d.i. de eeuwigen dood, kunnen ondergaan, maar nooit voor vele of voor alle mensen; en wat de obedientia activa aangaat, deze is nog veel minder mogelijk, want tot de onderhouding van Gods wet is elk persoonlijk voor zichzelf verplicht, en kan de een nooit voor de ander overnemen; bovendien zijn de obedientia passiva en activa met elkaar in strijd, wie de een volbrengt, is van de andere vrij; Christus heeft ze dan ook niet volbracht, Hij heeft de eeuwige dood niet geleden, maar is ten derden dage opgestaan uit de doden; hoe zwaar ook, zijn lijden was eindig; zijn Goddelijke natuur kon het niet oneindig maken in waarde, omdat zij niet lijden en sterven kon, of zij zou ieder moment in dat lijden oneindig en dus al het andere overbodig maken; bovendien wat kon ons dat baten, daar de mens had gezondigd, en hoe kon God (de Zoon) aan God zelf (de Vader) voldoen? Eindelijk is de leer van de voldoening ook schadelijk, omdat zij Christus met zijn barmhartigheid boven God met zijn eis van voldoening verheft, ons tot grotere dank aan Christus dan aan God verplicht, en ook de deur voor zorgeloosheid en goddeloosheid opent; alle zonden zijn immers voldaan, wij kunnen dan zondigen zoveel wij willen. En de dood van Christus bedoelde juist, dat wij van de zonde bevrijd zouden worden en in een nieuw godzalig leven zouden wandelen!

De kritiek van Faustus Socinus op de satisfactieleer was zo scherp en volledig, dat latere bestrijders niet anders konden doen dan zijn argumenten herhalen. De Remonstranten trachtten de voldoening van Christus nog wel te handhaven, maar namen toch feitelijk alle ertegen ingebrachte bedenkingen over; zij leerden niet alleen met Roomsen en Luthersen, dat Christus voor alle mensen voldaan had, maar ook ontkenden zij, dat Christus alle straffen leed, die God op de zonde had gesteld, dat Hij de eeuwige dood onderging, dat zijn obedientia activa plaatsvervangend was. Zelfs zijn lijden en sterven was geen satisfactio plenaria pro peccatis, geen solutio debitorum, die immers vergeving van Gods zijde en geloof van onze zijde overbodig zou maken; maar een offerande, een volkomen, tot in de dood gehandhaafde, toewijding van Christus aan God, welke door Hem als voldoende voor alle zonden aangemerkt werd. Op grond van die offerande laat God nu door het Evangelie aan allen de vergeving van de zonden aanbieden, opdat elk, die gelooft, zalig worden; maar Christus verwierf niet de werkelijke zaligheid voor de zijnen, doch slechts de mogelijkheid, om zalig te worden, voor allen; of iemand werkelijk zalig wordt, hangt van hemzelf af23. Ook Hugo de Groot wendde een poging aan tot rechtvaardiging van de leer van de voldoening24. Hij leidde ze daartoe af, niet uit de wil van God noch ook uit zijn straffende gerechtigheid, maar uit de justitia Dei rectoria, d.i. uit de noodzakelijkheid voor God, om in de wereld orde en wet, recht en gerechtigheid te handhaven en rekening te houden met het bonum commune. Door die rechtsorde echter op te vatten als een wereldorde, welke buiten God stond, maakte Hij Gods gerechtigheid daaraan dienstbaar en ondergeschikt; veranderde hij de voldoening van Christus in een onverdiend lijden, in een strafexempel ter afschrikking van anderen, in een maatregel van regentenwijsheid; en liet hij onverklaard, hoe Christus daarvoor God moest wezen, en hoe God een onschuldige zo kon doen lijden en zijn lijden als voldoening voor anderen aanmerken kon.

Toch hoeveel bedenkingen de Sociniaanse en Remonstrantse leer uitlokken kon, zij kreeg gaandeweg de overhand. De supranaturalisten, zoals Michaelis, Storr, Morus, Knapp, Steudel, Reinhard, Muntinghe, Vinke, Egeling enz., ofschoon soms nog menende, de kerkelijke leer te verdedigen, droegen zakelijk geen andere leer voor dan die van de Remonstranten of van Hugo Grotius25. Hetzelfde was het geval in de New England Theology. De oudere Jonathan Edwards verdedigde nog de orthodoxe leer26, maar Edwards Jr., Smalley, Maxey, Burge, Dwight, Emmons, Spring, droegen de gouvernementele theorie van Grotius voor27. Velen gingen nog verder en verwierpen heel de leer van de voldoening. Ernesti bestreed de leer van de drie ambten daarmee, dat de namen van profeet, priester en koning onduidelijke, Oudtestamentische voorstellingen zijn en elk ambt de beide andere reeds in zich begrijpt28. Töllner vernieuwde alle Sociniaanse bedenkingen, niet alleen tegen de dadelijke gehoorzaamheid van Christus, maar tegen heel de leer van de voldoening29. En met hem betoogden Bahrdt, Steinbart, Eberhard, Loffler, Henke, Wegscheider, Hobbes, Locke, Chubb, Coleridge, John Taylor, Priestley enz., dat Christus geen openbaring was van Gods gerechtigheid, maar van zijn liefde en barmhartigheid; dat God de zonde niet straft dan met zulke natuurlijke straffen, welke uit de zonde vanzelf voortvloeien en een pedagogisch karakter dragen; dat de leer van de plaatsvervanging een onzinnige gedachte is van Augustinus en Anselmus en in de Schrift in het geheel niet of alleen uit accommodatie, in Oudtestamentische symbolen, voorkomt; dat de dadelijke gehoorzaamheid van Christus, indien ze plaatsvervangend was, onzerzijds alle geloof, bekering, zedelijke verbetering onnodig maken zou; en vooral, dat vergeving van de zonden, kindschap van God, en rechtvaardigmaking niet aan de zedelijke vernieuwing of heiligmaking vooraf kunnen gaan, maar daarop volgen moeten en daarvan afhankelijk zijn30. De religie werd gebouwd op de moraal; het zwaartepunt uit het objectieve in het subjectieve verlegd; Versöhnung van Erlösung afhankelijk; God een dienaar van de mens. Zo kon de dood van Christus alleen nog zijn een voorbeeld van deugd en bevestiging van de waarheid (Eberhard, Löffler), of een opoffering ten bate van de mensen en een bewijs van Gods liefde (Schwarze), of een factische verklaring van God, dat Hij aan wie zich bekeert, de zonden vergeven wil (Morus, Köppen, Klaiber, Stäudlin), of een middel om vertrouwen op God te wekken en van de zonde af te schrikken (Töllner, Egeling), of ook, om ons van de verkeerde gedachte, dat God toornt en straft, te bevrijden (Steinbart), of een symbolische voorstelling van de vrijwillige overname door de zedelijke mens van de straf, die hij in zijn zondige toestand heeft verdiend (Kant)31.

1 Verg. art. Osiander in PRE3 XIV 501 v.

2 Erbkam, Gesch. der protest. Sekten bl. 247 v. 340 v. 441 v.

3 Joh. Claassen, J. Böhme, Bein Leben u. seine theos. Werke III 31-76.

4 Barclay, Verantwoording van de ware Christ. Godgel. Amst. 1757 bl. 154.

5 M. Vitringa, Doctr. VI 51.

6 M. Vitringa, t.a.p. 56. Dorner, Entwv. II 924.

7 Plitt, Zinzendorfs Theol. I 291 II 194 v. Schneckenburger, Vorles. über die Lehrbegriffe der klein. protest. Kirchenparteien bl. I 95 v.

8 Swedenborg, Die wahre Christl. Religion2 1873 bl. 169-205.

9 Art. Stancarus in PRE3 XVIII 752 v.

10 Deze brief werd opgenomen in de Epist. praest virorum bl. 156. Verg. ook zijn Theses Theol. XV 18. 19.

11 Catech. Racov. qu. 101.

12 Ib., qu. 195.

13 Ib., qu. 209 v. qu. 352. qu. 361.

14 Ib., qu. 374.

15 Ib., qu. 380. 383.

16 Ib., qu. 384.

17 Ib., qu. 386.

18 Ib., qu. 465.

19 Ib., qu. 476.

20 Ib., qu. 483.

21 Ib., qu. 413.

22 Zie vooral Catech. Racov. qu. 388-414 en F. Socinus, Praelect. Theol. c. 15, en De Jesu Christo Salvatore, Bibl. Fr. Polon. II 121-252.

23 Conf. en Apol. Conf. c. 8. Limborch, Theol. Christ. III c. 18-23.

24 In zijn Defensio fidei catholicae de satisfactione Christi 1617.

25 Verg. bij v. Knapp, Vorlesungen über die Christl. Glaubenslehre II 222v. Bretschneider, Dogm. II 4 bl. 239v. Reinhard, Dogm. par. 107. Vinke, Theol. Christ. dogm. 1853 bl. 1490. Egeling, Weg van de Zaligheid II 175 enz.

26 Edwards, Works I 582, cf. Ridderbos, De Theol. van Jon. Edwards 1907 bl. 294v.

27 Verg. E. Park, The atonement, discourses and treatises of Jon. Edwards, Smalley, Maxey, Emmons etc. New-York 1860. A. A. Hodge, The atonement. Philad. 1867 bl. 328.

28 Ernesti, de officio Christi triplici. Opusc. Theol. 1773 bl. 413.

29 Töllner, de obedientia Christi activa commentatio 1755.

30 Verg. bijv. Wegscheider, Inst. par. 140-142. Hobbes, Leviathan ch. 41.

31 Van der Willigen, Oordeelk. Overzicht over de vers. wijzen, op welke men zich heeft voorgesteld het verband tussen de dood van J. C. en de zaligheid van de mensen, Gods. Bijdr. II 1828 bl. 485-603. Bretschneider, Syst. Entw. 608 v. Baur, Chr. Lehre v. d. Versöhnung 478 v. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I cap. 7. 8.

x
This website is using cookies. Accept