Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

380. Ook in andere landen werden soortgelijke pogingen tot mystische of ethische reconstructie van de leer van de verzoening beproefd. Hier te lande bestreden de Groninger Godgeleerden de satisfactie als een bloedtheologie, die met het wezen van God in strijd was; zij zagen in de dood van Jezus, die door de mensen Hem aangedaan, door Jezus zelf ondergaan en door God niet gewild, maar toegelaten was, een openbaring van Gods liefde, een bewijs van Jezus’ volmaaktheid en van de zonde van de mensen; hij werkte in die zin als een middel van het heil, dat hij de mensen voor hun eigen boosheid schrikken deed en hen zo leidde tot berouw en tot betering van het leven1. Chantepie de la Saussaye sprak over de leer van de verzoening soms nog wel in orthodoxe zin, maar kwam toch spoedig, onder invloed van Schleiermacher en de Vermittelungstheologie, tot de overtuiging, dat zij van de juridisch-scholastische vorm ontdaan en ethisch vernieuwd moest worden. Christus kon toch niet beschouwd worden als een Middelaar, die in onze plaats de straf van de zonde onderging en daardoor aan Gods gerechtigheid voldeed; maar Hij was de Middelaar, omdat Hij in zijn persoon God en mens verenigde. Aan die eenheid is Hij getrouw gebleven tot in de dood toe; in de tot de einde toe gehandhaafde gemeenschap van God en mens heeft Hij het recht van God niet voldaan, dat is veel te zwak uitgedrukt, maar ten volle verheerlijkt, en zo heeft Hij daardoor ook de opstanding en het leven verworven voor allen, die in zijn gemeenschap ingaan. Wij hebben niet zozeer door, als wel in Christus vergeving en vrede, opstanding en leven. De plaatsvervanging is bij de la Saussaye, om in de taal van Ritschl te spreken, niet exclusief, maar inclusief2.

De moderne theologie stelde in het leerstuk van de verzoening oorspronkelijk weinig belang; zij was van huis uit ook veel meer een wetenschappelijke dan een religieuze beweging, ontstaan onder de indruk van de nieuwe natuurwetenschap en van de historische Schriftkritiek. In betrekking tot zonde en verzoening kenmerkte zij zich door grote nuchterheid, want zij dacht hoog van de zedelijke aanleg van de mens, en had aan Jezus als profeet, als voorbeeld, als zedelijk ideaal genoeg3. Zonde was niet door een val ontstaan en erfde niet over van ouders op kinderen, maar was een noodzakelijk gebrek, dat langzamerhand overwonnen zou worden, een moment in de ontwikkeling, een nog-niet-zijn van wat de mens naar zijn idee wezen moest en worden zou. Aan verzoening werd daarom geen behoefte gevoeld; God had de zonde zelf in zijn opvoeding van de mens gewild, en zou ze daarom ook als Vader vanzelf vergeven aan iedereen, die met ernst en volharding streefde naar het zedelijk ideaal; en dat was feitelijk toch het geval met alle mensen, de een was de ander op dezelfde weg slechts een weinig vooruit. Bij dit moralisme kwam echter de religie te kort, en het oppervlakkig optimisme zag zich spoedig op droeve wijze teleurgesteld. De macht van de zonde bleek in eigen hart en in de mensheid veel groter te zijn, dan men zich eerst had voorgesteld; met de cultuur nam de ongerechtigheid en ook de ellende toe; het volk bleek van de moraalprediking niet gediend te zijn, en keerde aan de kerk de rug toe of verzamelde zich om de verkondiging van het Evangelie van de Schrift. Zo kwam er uit de kringen van de modernen een schare van malcontenten voort, die, onbevredigd door de koude wetsprediking, terugverlangden naar de orthodoxe termen, naar kerkelijke organisatie, naar belijdenis en dogmatiek, en die tegenover de schuld en de macht van de zonde behoefte gingen gevoelen aan verzoening en verlossing4. Maar op modern standpunt is voor die behoefte geen voldoening te vinden. Want als de persoon van Jezus niet meer is dan een mens, zij het dan ook een volkomen heilig mens, dan kan Hij voor het religieuze leven nooit een andere en hogere betekenis hebben, dan die in het wezen van de zaak, zij het ook met verschil van graad, aan alle profeten, apostelen en vrome mensen toekomt5. Blijft men Hem dan toch nog eren als de Christus, de Zoon van God, de Heer van de gemeente enz., dan maakt men zich aan die sentimentele Jezuscultus schuldig, welke door Von Hartmann, Drews, Kalthoff, Von Schnehen, Naumann ea. zo terecht veroordeeld is6. Vandaar dat velen onder de jonge modernen, door Hegel en Bolland geleid, van de onbekende Jezusfiguur teruggaan tot de nimmer verouderende Christusidee, welke onder andere namen in bijna alle godsdiensten voorkomt, aan welke ook het Christendom zijn oorsprong dankt, en die uitdrukking geeft aan de eeuwige gedachte, dat God zelf in wereld en mensheid zich langzamerband door lijden en sterven van zonde en ellende bevrijdt en zo tot zijn heerlijkheid ingaat7.

Maar veel meer dan in Duitsland en in ons vaderland is de leer van de verzoening in de Engels sprekende wereld een geliefkoosd onderwerp. Er gaat geen jaar voorbij, zonder dat daarover nieuwe studies het licht zien. Tot in het begin van de negentiende eeuw toe bleef over het algemeen de oude Protestantse voorstelling in ere, en bepaaldelijk werd in de Schotse theologie het werk van Christus in verband gebracht met en als uitvoering beschouwd van het verbond, dat in de eeuwigheid tussen de drie personen van het Goddelijk Wezen was aangegaan8. Maar langzamerhand begon deze leer van de satisfactie voor nieuwere beschouwingen plaats te maken. Het hypothetisch universalisme van Amyraldus, volgens hetwelk Christus voor alle mensen stierf op voorwaarde van geloof en bekering hunnerzijds, vond ook in Engeland en Schotland bij vele Presbyterianen instemming, en baande de weg tot de theorie van Grotius, volgens welke de vergeving eigenlijk niet rustte op de voldoening van Christus, maar in zijn exemplair lijden zich de mogelijkheid voor haar toepassing schiep, en die niet alleen door de Wesleyaansche Arminianen, maar ook door vele Gereformeerde godgeleerden als Schriftuurlijk en rechtzinnig omhelsd werd. Zelfs Dr. Dale, die overigens de morele theorie zeer sterk bestreed, zei, dat Christus eigenlijk niet met zijn lijden en dood aan Gods gerechtigheid voldeed, want, omdat God zelf in Christus het rantsoen gaf, kan het niet aan Hem betaald worden; maar hij maakte onderscheid tussen de abstracte eeuwige gerechtigheid en de wil van God, en trachtte te betogen, dat die eeuwige gerechtigheid, welke met de gouvernementele gerechtigheid van Grotius grote overeenkomst vertoont, het lijden van Christus voor de schending van de wet noodzakelijk maakte9. Maar anderen schreden op deze weg nog veel verder voort, en verlegden het zwaartepunt hoe langer hoe meer uit het objectieve werk van Christus in de subjectieve verandering, welke door geloof en bekering in de mens plaats had. Horace Bushnell trachtte het lijden van Christus geheel te verklaren uit het plaatsvervangend karakter, dat alle liefde draagt, en schreef verder aan de liefde, welke Christus in zijn leven en sterven tot ons had geopenbaard, een de mens veranderende en vernieuwende werking toe10. Dr. Mc. Leod Campbell leidde ook het lijden van Christus niet uit Gods gerechtigheid, maar uit zijn liefde af; Christus verwierf Gods liefde niet, maar was er een gave, een bewijs, een openbaring van; Hij was daarom Gods vertegenwoordiger bij ons. Maar Hij was ook onze vertegenwoordiger bij God, doordat Hij, ingaande in onze gemeenschap, de diepste smart leed over de zonde als schuld voor God en als bron van al onze ellende. Zijn lijden was geen straf door God Hem opgelegd, maar Hij leed, omdat Hij de zonde zag met Gods oog, in volle overeen stemming met de Vader de zonde veroordeelde, en in zijn leven en dood ons toonde, wat de zonde van de mens was voor het vaderlijk hart van God. Terwijl Hij enerzijds, krachtens zijn eenheid met God, de zonde veroordeelde en op het gericht van God zijn Amen uitsprak, beleed Hij in zijn aanvaarding van het lijden aan de andere zijde, krachtens zijn eenheid met de mensheid, onze zonden voor het aangezicht van God, en bood daarin aan God een volmaakt, plaatsvervangend berouw aan, al ontbrak daarin natuurlijk ook het subjectief element van schuldbewustzijn. Door deze” vicarious repentance” verwierf Christus voor ons de verzoening, welke niet wettelijk, maar zedelijk en geestelijk is van aard en ons niet juridisch toegekend, maar mystisch en ethisch ons meegedeeld wordt11.

Nauw verwant aan deze voorstelling is de verzoeningsleer, die later door Moberly voorgedragen werd. Hij onderzoekt eerst de begrippen van punishment, repentance en forgiveness, en stelt daarbij in het licht, dat ze alle drie eerst dan volmaakt zijn en aan hun idee en bedoeling beantwoorden, als de zondaar de straf zelf als straf aanvaardt, in het berouw met zijn zondig verleden breekt, en door zijn forgiveableness de vergeving van zijn zonden mogelijk en werkelijk maakt, maw. als uit de oude mens de nieuwe mens opstaat. Maar daartoe is de natuurlijke mens uit zichzelf niet in staat. Zo kwam dan Christus op aarde, om door zijn “penitential holiness,” door zijn “sacrifice of supreme penitence” de straf van de zonde volkomen te aanvaarden en ze in verzoening te veranderen, om een volmaakte belijdenis van de zonden af te leggen en volkomen met haar te breken; en om de vergeving te verwerven, die God alleen in de weg van een volmaakte belijdenis kan schenken. Een met God zijnde, kon Hij zo over de zonde oordelen en de zonde op zich nemen, maar door zijn eenheid met de mensheid kon Hij ze zo ook voor ons verzoenen, en door zijn Geest, door middel van kerk en sacrament, de verworven weldaden van verzoening, bekering en vergeving aan zijn gemeente meedelen12. Veel sterker werd nog het zwaartepunt van de objectieve naar de subjectieve van de verzoening verlegd door Thomas Erskine, Maurice, Kingsley, F. W. Robertson en anderen. Zij toch bezagen het leven en de dood van Christus vooral uit dit gezichtspunt, dat Hij, de waarachtige, heilige mens, inleefde in onze smart, al onze krankheden op zich nam, zonde voor ons werd en met de zondaar zich identificeerde. In dit alles gaf Hij zich volkomen over aan de heilige wil van God, maar gaf Hij ook een bewijs van liefde, dat de mens tot wederliefde en toewijding nopen moet13. Op dezelfde wijze, maar veel minder innig en diep bestaat de waarde van Jezus’ leven en sterven voor R. J. Campbell, daarin, dat Hij, de heilige, goddelijke mens, tot het einde toe trouw bleef aan zijn roeping en zich volkomen aan zijn Vader overgaf. Het wezen van de verzoening bestaat in the assertion of the fundamental unity of all existence, the unity of the individual with the race and the race with God. Alle offers en alle daden van zelfverloochening en toewijding drukken deze gedachte uit. Maar Jezus’ leven en dood is middelpunt en kroon van dat eeuwenlange verzoeningsproces van de mensheid, waarin de zelfzucht overwonnen en het menselijk geslacht tot God opgeheven wordt. Deze verzoening moet nu ook in ons herhaald worden. Dezelfde geest, die in Jezus woonde, is ook de geest van de hele mensheid. De Christusnatuur, dat is het ideaal van de heilige, goddelijke mens, is potentiëel in ieder mens aanwezig, en moet onder invloed van het voorbeeld van Jezus en van de werking van zijn geest, in ons allen opgewekt en tot een leven van liefde en zelfopoffering opgewekt worden14.

Ook maakte in Frankrijk en Zwitserland de leer van de satisfactio vicaria allengs voor de mystische, ethische of morele opvatting van het werk van Christus plaats15; volgens Ménégoz bijv. was de dood van Christus een noodzakelijk gevolg van de trouw aan zijn Messiaans beroep en tegelijk een openbaring van de ernst van de zonde en van de solidariteit van het menselijk geslacht. Maar dat die dood door God geëist werd en voor de verzoening van de zonden noodzakelijk was, vormt geen bestanddeel van het oorspronkelijk Evangelie van Jezus, hetwelk de genadige vergeving van de zonden verkondigt, doch is er eerst later door Paulus aan toegevoegd. Toch was de dood van Christus een bron van zegeningen voor het menselijk geslacht, en wij krijgen daar deel aan, als wij ons met Hem verenigen en één plant met Hem worden door het geloof16. In weerwil van al deze nieuwere reconstructies, blijft de belijdenis van Jezus’ plaatsvervangend lijden en sterven in de gemeente leven en vindt zij ook in de theologie nog menigvuldige en min of meer besliste voorspraak17.

1 Hofstede de Groot, De Gron. Gods. hl. 181.

2 Zie mijne Theol. van de La Saussaye2 bl. 48.

3 Scholten, L. H. K. I 410 v. II 26 v. Hoekstra, Gods. Bijdr. 1866 273 v. Grondslag, wezen en openbaring van het godsd. geloof 1861 bl. 201 v.

4 Verg. bijv. Hylkema, Hoe te oordelen over het streven van de malcontenten, het besef van zonde te verdiepen, referaat op de verg. van moderne theologen Mei 1905. Agnotus (Prof. Eerdmans), Reactie of Vooruitgang, Th. T. 1908 aflev. 1 en 2. en min of meer daartegen Bruining, Godsdienst en Verlossingsbehoefte, Teylers Th. T. 1910 aflev. 1 en 2.

5 Bruining, in zijn bijdrage tot de: Christusbeschouwingen onder modernen bl. 3-41. De volgende bijdragen van Hugenholtz, van Wijk, Niemeycr, Bruins bevestigen zijn betoog.

6 Drews, Die Christusmythe bl. 183.

7 G. A. van de Bergh van Eysinga, Christusbesch. onder mod. bl. 225-271.

8 J. Walker, The Theol. and the theologians of Scotland.2 Edinburgh 1888 hl. 67 v.

9 R. W. Dale, The atonement. The Congregational Union Lecture for 1875. 18th ed. London 1896.

10 Horace Bushnell, Vicarious Sacrifice, grounded in principles of universal obligation. New-York 1866.

11 Dr. John Mc. Leod Campbell, The nature of the atonement. Cambridge 1856 6th ed. 1886. Verg. H. F. Henderson, The religious controversies of Scotland. Edinburgh 1905 bl. 147-181:the Row Heresy.

12 R. C. Moberly, Atonement and Persoliality. London 1901, en later meermalen herdrukt.

13 Thomas Erskine, The unconditional freeness of the Gospel 1828. F. D. Maurice, The Doctrine of sacrifice 1854.

14 R. J. Campbell, The new Theology. Popular ed. Mills and Boon z. j. Verg. verder nog The atonement in modern religious thought, a theological Symposium. London, Clarke 1900, dat zeventien essays van verschillende schrijvers over dit onderwerp bevat. Lyttelton, in Lux Mundi 1892 bl. 201-229. G. B. Stevens, The Christian doctrine of Salvation. Edinburgh 1905. W. Porcher du Bose, The soteriology of the New Test. London 1907. Leighton Pullan, The atonement. London 1906. Beeching and Nairne, The Bible doctrine of atonement. London 1906 enz.

15 Verg. Fr. Godet, in een artikelover L’expiation in het Bulletin théol. 1860 en voorts in zijn commentaar op de Romeinen. Pressensé, Essai sur le dogma de la rédemption, Bulletin théol. 1867. Durand, Etude sur la Rédemption, Revue de théol. et de philos. 1889. Sécrétan, Theologie et religion. Lausanne 1883 bl. 45. Bovon, Etude sur l’oeuvre de la Rédemption 1893 v. Sabatier, La doctrine de l’expiation et son évolution historique. Paris 1903. G. Frommel, La psychologie du pardon dans ses rapports avec la croix de Jésus Christ. (1905).

16 Ménégoz, La mort de Jésus et le dogma de l’expiation. Paris 1905

17 Verg. behalve de boven reeds genoemde werken: Tholuck, Lehre v.d. Sünde und v.d. Versöhner 1823. Vilmar, Dogm. par. 48. Böhl. Dogm. bl. 361 v. Bula, Die Versöhnung des Mensen mit Gott durch Christum oder die Genugthuung. Basel 1874. Koelling, Die Satisfactio vicaria, d.i. die Lehre v.d. stellvertr, Genugthuung des Herrn Jesu. Gütersloh 1897. Ebrard, Dogm. par. 396 v. Id., Die Lehre v.d. stellvertr. Genugthuung 1857. Bensow, Die Lehre v.d. Versöhnung. Gütersloh 1904. Hodge, Syst. Theol. II 480 v. Shedd, Dogm. Theol. II 378 v. A. A. Hodge, The atonement. Philad. 1867. Warfield, Modern theories of the atonement, Princeton Theol. Rev. Jan. 1903. Candlish, The atonement, its reality, completeness and extent. London 1861. Hugh Martin, The atonement in its relations to the covenants, the priesthood, the intercession of our Lord. Edinburgh z. j. John Scott Lidgett, The spiritual principle of the atonement as a satisfaction made to God for the sins of the world: London 1898. James Denney, The death of Christ, its place and interpretation in the New Test. London 1909. Id., The atonement and the modern mind. London 1908. James Stalker, The atonement. London 1908. Merle d’ Aubigné, L’expiation de la croix. Paris 1867. H. Bois, La nécessité de l’expiation, Revue de théol. de Montauban 1888. Id., Expiation et solidarité, ib. 1889. Grétillat, Exposé de théol. syst. IV 300 v. Van Oosterzee, Christ. Dogm. par. 108 v. J. A. C. van Leeuwen, Verzoening. Utrecht 1903. Vellenga, De voldoening, een reeks artikelen in Theol. Stud. 1906 v.

x
This website is using cookies. Accept