Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

381. Het geloof, dat Jezus de Christus is, maakte van begin af het hart en de kern van de Christelijke belijdenis uit. Met deze aanspraak, dat Hij de Christus was, trad Jezus zelf op; door dit geloof kwamen de Christenen zowel tegenover de Joden als tegenover de Heidenen als een bijzondere secte te staan; naar de naam van Christus werden de gelovigen te Antiochië het eerst Christenen genoemd. De namen van Jezus en Christus werden daarom in de apostolische geschriften al spoedig ten nauwste met elkaar verbonden en helderden elkaar op, evenals de persoon van Christus uit zijn werk, en het werk van Christus uit zijn persoon wordt verstaan. De naam, die in het Grieks door ihtouv en in het Latijn door Jezus, Jhesus, Hiesus werd weergegeven, was onder de Israëlieten een gewone naam, en komt in het Oude Testament in niet minder dan vier vormen voor. Soms wordt de naam voluit als ewvwhy, Deut. 3:21, Richt. 2:1, of als ewvwhy, Ex. 17:9, Num. 13:16, Joz. 1:1, Richt. 2:6, 1 Sam. 6:14,18, 2 Kon. 23:8, Hagg. 1:1, Zach. 3:1, geschreven; en soms komt hij ook voor in de verkorte vorm van evwh, Num. 13:8, 2 Kon. 15:30, Hos. 1:1, Neh. 10:24, of ewvy, Ezr. 2:2,6, Neh. 7:7, 11,39 enz.

Het is nog niet ten volle opgehelderd, hoe de langere vorm Jehosua tot Jesua (met een e) verkort kan worden, noch ook, hoe de jod in de naam Hosea geheel wegvallen kon. En ook staat de afleiding van de naam wetenschappelijk nog niet vast. Vroeger zag men in de naam Jehosua gewoonlijk de 3 pers. imp. hi. (naast de vorm eyvwhy, Ps. 116:6) van het werkwoord evy, zodat de betekenis dan zijn zou: Hij, nl. de Heere, zal helpen of redden; tegenwoordig beschouwen velen de naam als samengesteld uit why en ewv, zodat de zin dan is: de Heere is hulp of heil (verg. ongeveer dezelfde samenstelling, in omgekeerde orde, in de naam whyev. Jes. 1:11. Hoe dit zij, van ouds bracht men de naam met het werkwoord evy, helpen, redden, in verband; Mozes gaf met opzet aan Hosea, de zoon van Nun, de naam van Jozua, Num. 13:8, 16, en in Matt. 1:21 gaf Jozef op uitdrukkelijk bevel van de engel aan zijn zoon de naam van Jezus, omdat Hij zijn volk zou zaligmaken van hun zonden. De naam werd ook nog wel later door andere personen gedragen, Hand. 7:45, Hebr. 4:1, Col. 4:11, maar komt toch aan Jezus toe in geheel enige zin. De Jezuïten hebben zich later nog wel naar die naam genoemd, maar zij matigden zich daarmee een titel aan, waarop niemand aanspraak mag maken, omdat Christus alleen de Zaligmaker is; bovendien hebben zij door hun stelsel en gedraging aan hun eigen naam menigmaal grote smaadheid aangedaan. De gelovigen noemen zich daarom allen samen naar de naam van Christus, omdat deze niet is de persoonlijke, historisehe, maar de ambtelijke naam, en in gemeenschap met deze Christus zijn zij zelf gezalfd tot profeten, priesters en koningen.

Behalve deze historische en ambtelijke naam, worden aan Christus in de Schrift nog vele andere namen toegekend. Hij heet de Zoon van God, de eniggeboren, de eigen, de geliefde Zoon, het Woord, het Beeld van God, afschijnsel van zijn heerlijkheid en uitgedrukt beeld van zijn zelfstandigheid, het beginsel van de schepping van God, de waarachtige God en het eeuwige leven, God boven alles te prijzen (of misschien juister: God over allen (alles), te prijzen) in der eeuwigheid, Inmanuel; voorts wordt Hij genoemd de Zoon des mensen, de Zoon van Jozef en David, de Nazarener, de Galileër, de heilige en rechtvaardige, de tweede Adam, de Heer uit de hemel, eerstgeborene aller creaturen en eerstgeborene uit de doden; en eindelijk heet Hij naar zijn ambt en werk de profeet, de meester, de leraar, de priester, de grote priester, de hogepriester, de knecht des Heeren, het lam Gods, de koning, de koning van de Joden, de koning Israëls, de koning van de koningen, de Heere, de Heer der heerlijkheid, de Heer der Heeren, het hoofd en de bruidegom van de gemeente, de opziener van de zielen, de leidsman en voleinder van het geloof, de leidsman van de zaligheid, de weg, de waarheid en het leven, het brood des levens, de vorst des levens, de opstanding en het leven, de herder van de schapen, de deur van de schaapskooi, het licht der wereld, de blinkende morgenster, de leeuw uit Juda’s stam, de Amen, de trouwe en waarachtige getuige, de Alfa en de Omega, de eerste en de laatste, het begin en het einde, de rechter van levenden en doden, de erfgenaam aller dingen, door wie, in wie en tot wie alles geschapen is. Al deze namen bewijzen reeds afdoende de onvergelijkelijke waardigheid en de geheel enige plaats, welke aan Christus toekomt2. Hij is de middelaar van schepping en herschepping beide.

De naam van mesithv komt voor in de LXX Job 9:33 van de redder of helper (scheidsman, scheidsrechter), die Job wenste, dat tussen God en hem mocht instaan. In het Nieuwe Testament wordt de naam alleen toegekend aan Mozes, Gal. 3:19-20, en aan Christus, 1 Tim. 2:5, Hebr. 8:6, 9:15, 12:24, terwijl het werkwoord mesiteuein eenmaal van God wordt gebezigd, Hebr. 6:17. Het woord duidt in het algemeen een persoon aan, die tussen twee partijen intreedt, om ze met elkaar in gemeenschap te brengen of ook met elkaar te verzoenen, Deut. 5:5, en is dus bij uitnemendheid geschikt, om de plaats van Jezus’ persoon en het karakter van zijn werk aan te duiden. De idee van het middelaarschap is, zoals ons reeds vroeger bleek, aan alle godsdiensten eigen, maar komt in de waarzeggers en tovenaars, in de priesters en koningen, die daarin optreden, tot geen verwezenlijking. Zelfs Mozes draagt die naam slechts op inadequate wijze, in een tijdelijke en voorbeeldige zin, want hij was wel getrouw in het huis Gods, doch slechts als een dienaar, om getuigenis af te leggen van hetgeen door God tot het volk gesproken zou worden, Hebr. 3:5; hij nam de wet in ontvangst, maar ontving ze nog niet eens rechtstreeks van God, doch door middel van engelen, Gal. 3:19; hij stond, schoon middelaar, toch eigenlijk met het volk tegenover God, en ontving de wet niet voor Israël alleen, doch ook voor zichzelf, Joh. 1:17. Christus echter is de Zoon over zijn eigen huis, Hebr. 3:6, omdat Hij de Zoon is, door wie God zelf tot ons spreekt, welke Hij gesteld heeft tot een erfgenaam van alles, door wie Hij ook de wereld gemaakt heeft, Hebr. 1:1-2. Hij is niet een derde, die van buiten af tussen God en ons intreedt, maar Hij is de Zoon van God Zelf, afschijnsel van zijn heerlijkheid en uitgedrukt beeld van zijn zelfstandigheid, het wezen en de eigenschappen van de Goddelijke natuur deelachtig, en tegelijk de zoon des mensen, Hoofd van de mensheid, Heer van de gemeente. Hij staat niet tussen twee partijen in, maar Hij is beide partijen in zijn eigen persoon.

In de eeuw van de Hervorming ontstond over dit middelaarschap van Christus een niet onbelangrijk verschil. Tegenover Osiander, die de wezensgerechtigheid van God in Christus voor de materia van de rechtvaardigmaking hield, verdedigde Stancarus, hoogleraar te Königsberg, de stelling, dat Christus alleen middelaar was naar zijn menselijke natuur, en dus ook alleen op grond van zijn menselijk verworven gerechtigheid ons rechtvaardigen kon3. Hij kon zich daarvoor beroepen op Augustinus, Lombardus, Thomas e.a. die allen zeiden, dat Christus alleen mediator was, in quantum homo; nam in quantum Deus non mediator sed aequalis Patri est4; en deze theologen werden door Stancarus heel wat hoger geschat, dan de Hervormers: plus valet unus Petrus Lombardus, quam centum Lutheri, ducenti Melanchtones, trecenti Bullingeri, quadringenti Petri martyres et quingenti Calvini; qui omnes si in mortario contunderentur, non exprimeretur una uncia verae theologiae. Luthersen en Gereformeerden kwamen daar ten sterkste tegen op en beweerden, dat Christus middelaar was naar beide naturen, dat Hij als zodanig van eeuwigheid was aangesteld en dat Hij het ambt van middelaar ook reeds in de dagen van het Oude Testament had vervuld5.

De Roomsen hielden daartegen wel staande, dat Christus alleen middelaar was naar zijn menselijke natuur, maar zij moesten toch erkennen, dat Christus, om middelaar te zijn, beide God en mens moest wezen, dat beide naturen het suppositum en de substantia mediatoris uitmaakten en konden dus alleen nog beweren, dat Christus de middelaarswerken, zoals het zichzelf offeren, het lijden, het sterven volbracht in zijn menselijke natuur, dat deze dus alleen was het principium quo, het principium formale van de middelaarswerken6. Doch deze scheiding tussen de persoon en het werk van de middelaar is niet vol te houden; de middelaarswerken hebben juist dit eigenaardige, dat zij door de éne persoon met beide naturen zijn verricht. Dat wil niet zeggen, zoals Petavius aan Lutheranen en Calvinisten toedicht7, dat deze aan de Goddelijke natuur van Christus per sese et ab humana divulsa, het middelaarswerk toeschrijven. Niet naar zijn Goddelijke natuur als zodanig, als één en gelijk met de Vader en de Geest, is de Zoon middelaar, maar wel naar die Goddelijke natuur kai oikonomian quatenus secundum eam voluntaria illa dispensatione gratiae se submiserit8. De Schrift noemt dan ook meermalen Christus naar zijn Goddelijke natuur subject van de vernedering, Joh. 1:14, 2 Cor. 8:9, Phil. 2:6; de kerkvaders lieten dikwijls in dezelfde geest zich uit9; Augustinus, Lombardus en Thomas bedoelden niets anders, dan dat Christus niet naar zijn Goddelijke natuur als zodanig, ab humana natura divulsa, maar alleen als mens geworden Zoon van God middelaar was en wezen kon; en tenslotte moesten de Roomse theologen dit zelf weer tegen Stancarus verdedigen.

Er schuilt hierachter nog een ander verschil. Indien Christus nl. alleen middelaar is naar zijn menselijke natuur in de zin van Bellarminus en Petavius, dan is Hij ook geen middelaar geweest vóór zijn vleeswording, maar is Hij dit eerst begonnen te zijn in het moment van zijn ontvangenis en is het Oude Testament dus feitelijk van een middelaar verstoken geweest10. Maar al is het ook, dat de Zoon eerst vlees is geworden in de volheid van de tijd, toch is Hij van eeuwigheid verkoren en aangesteld tot middelaar. Er kan hier niet tegen ingebracht worden, dat ook David, Salomo enz. van eeuwigheid tot koning verkoren en in die zin gezalfd zijn. Want daarbij bestaat dit grote onderscheid, dat David, Salomo enz. en alle verkorenen vóór hun ontvangenis slechts in de idee en het besluit van God bestonden, maar de Zoon was in de beginne bij God en zelf God. Zijn verkiezing tot middelaar is niet buiten Hem om geschied, zij draagt het karakter van een pactum salutis; het verlossingswerk is een gemeenschappelijk werk van Vader, Zoon en Geest, en is terstond na de val door alle drie personen begonnen uitgevoerd te worden. In dezelfde zin als de Vader van eeuwigheid Vader van zijn kinderen en de Heilige Geest van eeuwigheid Trooster van de gelovigen is geweest, is de Zoon van eeuwigheid tot middelaar aangesteld en terstond na de val als middelaar opgetreden. Reeds onder het Oude Testament was Hij als profeet, priester en koning werkzaam11. De gevallen wereld is terstond aan de Zoon als middelaar ter verzoening en verlossing overgegeven. En in de volheid van de tijd is Hij, die reeds middelaar was, in het vlees geopenbaard, 1 Joh. 1:2; 3:5, 8. Hieruit is te verklaren, dat het koninklijk ambt bij Christus op de voorgrond treedt; als zodanig wordt Hij in het Oude Testament vooral getekend en voorspeld; en met die titel treedt Hij vooral onder zijn volk op. Maar dat koningschap van Christus is van dat van aardse vorsten zeer onderscheiden; het heeft zijn type alleen in het theocratisch, in het Davidisch koningschap, hetwelk wezenlijk van dat van andere koningen onderscheiden is; het is een koningschap in Gods naam, aan Gods wil ondergeschikt, alles heenleidend tot Gods eer; het is geen koningschap van geweld en wapenen, maar het heerst en regeert op een heel andere, veel betere wijze; het heerst door Woord en Geest, door genade en waarheid, door recht en gerechtigheid. De koning is daarom tegelijkertijd profeet en priester; zijn macht staat in dienst van de waarheid en de gerechtigheid.

Omdat echter het koningschap van Christus een geheel eigenaardig karakter draagt, maken velen bezwaar, om van zijn koninklijk ambt te spreken of bezigen de titel van koning bij Christus in overdrachtelijke zin12. Ja velen achten het beter, bij Christus niet van ambt, maar van persoonlijk beroep te spreken, want ambt hoort in een rechtsgemeenschap thuis en Christus’ koninkrijk is een rijk van de liefde en niet van het recht13. Inderdaad is een ambt van beroep, ambacht, betrekking daarin onderscheiden, dat het een overheid veronderstelt, op een aanstelling door die overheid berust, en die overheid dient met zijn persoon, niet voor loon. Maar juist daarom is ambt het woord, dat ten aanzien van Christus behoort gebezigd te worden. Want Hij heeft zichzelf de middelaarswaardigheid niet aangenomen, maar God heeft Hem verkoren, geroepen, aangesteld, Ps. 2:7, 89:19-21 [Ps. 89:18-20], 110:1-4, 132:17, Jes. 42:1, Hebr. 5:4-6; de naam Christus is geen beroeps-, maar een ambtsnaam, een titel, een waardigheid, waarop Jezus aanspraak heeft, omdat Hij door God Zelf verkoren is. Onder het Oude Testament werden vooral de koningen gezalfd, Richt. 9:8, 15, 1 Sam. 9:16; 10:1; 16:13; 2 Sam. 2:4; 5:3; 19:10; 1 Kon. 1:34, 39; 2 Kon. 9:1, 11:12, 23:30, waarschijnlijk met de heilige zalfolie, 1 Kon. 1:39, Ps. 89:21 [Ps. 89:20]; gezalfde was de naam van de theocratische koning, Ps. 20:7, 28:8, 84:10, 89:39 enz. De zalving met olie was symbool van de Goddelijke wijding, van de toerusting met de Geest Gods, 1 Sam. 10:1, 9, 10. En deze zalving, niet in uitwendige, symbolische, maar in geestelijke, wezenlijke zin werd Christus deelachtig, Jes. 11:2, 42:1, 61:1, Ps. 2:6, 45:8 [Ps. 45:7], 89:21 [Ps. 89:20], Luk. 4:18, Joh. 3:34, Hand. 4:27, 10:38, Hebr. 1:9, bij zijn ontvangenis uit de Heilige Geest, Luk. 1:35, en bij de doop door Johannes, Matt. 3:16, Mark. 1:10, Luk. 3:22, Joh. 1:32. En even reëel als zijn zalving, van welke die onder het Oude Testament slechts schaduw was, was ook zijn koningschap. Het theocratisch, Davidisch koningschap was er slechts de zwakke type van, en heeft in het koningschap van Christus zijn wezenlijke vervulling gekregen. Christus is niet in mindere maar in meerdere, in veel waarachtiger zin koning dan David en Salomo. Want tot de idee van de theocratische koning behoorde, dat hij een man naar Gods hart moest wezen en niet als een despoot boven zijn broederen zich verheffen mocht, Deut. 17:14-20. Aan deze koningswet hielden Israëls koningen zich niet, en zo verwachtte de profetie een andere, betere koning, die, zelf gezalfde des Heeren en knecht van God, zijn volk regeren zou door waarheid en gerechtigheid, en zijn vijanden overwinnen zou. Als zulk een koning treedt Christus op; Hij sticht een rijk van God, dat nu alleen nog geestelijk en zedelijk bestaat, maar bestemd is, om eenmaal ook uitwendig en lichamelijk zich te openbaren in de stad van God, waar alle goddelozen gebannen zijn en God alles in allen wezen zal. En omdat Hij zulk een koning is, een koning in waarachtige, volle zin, daarom sluit zijn koningschap ook het profetisch en priesterlijk ambt in.

1 Eb. Nestle, art. Jezus in Hastings. Dict. of Christ I 860

2 Kortheidshalve zij voor de betekenis van al deze namen verwezen naar het reeds vroeger aangehaalde werk van Prof. Warfield, The Lord of Glory. New-York 1907.

3 Schmidt (Benrath), art. Stancarus in PRE3 XVIII 752-754.

4 Augustinus, die civ. Dei XI 2. Conf. X 40. Lonbardus, Sent III dist. 19. Thomas, S. Theol. III qu. 26 art. 2.

5 Die Symb. Bücher der ev. Luth. Kirche ed. Müller bl. 622. 684. Gerhard, Loc. IV. 325. Quenstedt, Theol. III 273. Calvijn, in twee brieven, Corpus Ref. XXXVII 337-358. De dienaren van de kerk van Zurich in twee brieven PRE3 t. a. p. Polanus, Synt. Theol. bl. 430. Turretinus, Theol. EI. XIV qu. 2.

6 Bellarminus, de Christo V c. 1-8. Petavius, de incarn. VII c. 1-4.

7 t.a.p. XII 4, 9.

8 Polanus, Synt. Theol. bl. 430.

9 Bij Petavius, t.a.p. XII 1.

10 Petavius, de incarn. XII 4, 10.

11 Augustinus, bij Reuter, Augustinische Studiën. Gotha 1887 bl. 93.

12 Wegscheider, Inst. theol. par. 144. Scholten, L. H. K. I 369 v.

13 Ritschl, Rechtf. u. Vers. III2 402.

x
This website is using cookies. Accept