Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

382. Dit drievoudig ambt van Christus vindt echter bij velen bezwaar, omdat het een van het andere niet te onderscheiden is1. Inderdaad is ook geen enkele werkzaamheid van Christus uitsluitend tot één ambt te beperken. Zijn woorden zijn een verkondiging van wet en Evangelie, en wijzen zo op het profetisch ambt; maar Hij spreekt als machthebbende en alles gehoorzaamt zijn bevel, Mark. 1:22, 4:41, Luk. 4:32 enz.; zelf noemt Hij zich koning, in de wereld gekomen, om van de waarheid getuigenis te geven, Joh. 18:37. Zijn wonderen zijn tekenen van zijn leer, Joh. 2:11, 10:37 enz., maar ook openbaring van zijn priesterlijke barmhartigheid, Matt. 8:17, en van zijn koninklijke macht, Matt. 9:6, 8; 21:23. In zijn voorbede komt niet alleen zijn hogepriesterlijk, maar ook zijn profetisch en koninklijk ambt uit, Joh. 17:2, 9-10, 24. Zijn dood is een belijdenis en voorbeeld, 1 Tim. 6:13, 1 Petr. 2:21, Op. 1:5, maar ook een offerande, Ef. 5:2, en een betoon van zijn macht, Joh. 10:18. De dogmatiek is daarom ook verlegen geweest met wat er tot ieder ambt in het bijzonder uit Jezus’ leven en werken te brengen viel. Onder het profetisch ambt werd gewoonlijk behandeld het leren, voorspellen en wonderen doen; onder het priesterlijk ambt het offeren, voorbidden en zegenen; maar voor het koninklijk ambt bleef in de staat van de vernedering dan niet meer over dan de hulde van de wijzen uit het Oosten, de intocht in Jeruzalem, de aanstelling van de apostelen, de instelling van de sacramenten; geïsoleerde feiten, die ten dele evengoed tot de andere ambten kunnen gebracht worden. Nog moeilijker werd de aanwijzing van het onderscheid in de staat van de verhoging; want Jezus’ profetische werkzaamheid zet zich wel voort in het leren van zijn gemeente door Woord en Geest, maar ook als koning regeert en beschermt Hij zijn kerk door deze beide; en zijn hogepriesterlijke voorbede is geen smeking, maar een koninklijk willen, Joh. 17:24. Het is dan ook een atomistische beschouwing, die bepaalde werkzaamheden uit het leven van Jezus losmaakt en daarvan enkele tot het profetisch, en andere tot het priesterlijk en het koninklijk ambt brengt. Christus is gister en heden dezelfde in eeuwigheid. Hij verricht maar niet profetische, priesterlijke en koninklijke werkzaamheden, doch is zelf in heel zijn persoon profeet, priester en koning. En alles wat Hij is, spreekt en doet, brengt die drieërlei waardigheid tot openbaring. Wel kan voor ons in de een werkzaamheid meer zijn profetisch, en in een andere zijn priesterlijk of zijn koninklijk ambt uitkomen; en wel treedt zijn profetisch ambt meer in de dagen van het Oude Testament en in zijn omwandeling op aarde, zijn priesterlijk ambt meer in zijn lijden en sterven, zijn koninklijk ambt meer in zijn staat van verhoging op de voorgrond; maar werkelijk draagt Hij alle drie ambten tegelijk en oefent ze alle drie steeds tegelijkertijd uit, zowel vóór als na zijn menswording, beide in de staat van de vernedering en die van de verhoging.

Daarom is echter het spreken van drie ambten bij Christus geen willekeur, geen Oosterse beeldspraak, die zonder bezwaar kan prijsgegeven worden; ook is het een ambt niet tot een van de beide andere te herleiden. Scheiding is niet mogelijk, maar onderscheid is er zeer zeker. Om middelaar, om volkomen zaligmaker te wezen, moest Hij door de Vader tot alle drie ambten aangesteld en door de Geest tot alle drie bekwaamd worden. Immers, de idee van mens bevat deze drieërlei waardigheid en werkzaamheid reeds in zich; hij heeft een hoofd, om te kennen, een hart, om zich te geven, een hand om te regeren en te leiden; en dienovereenkomstig werd hij in de aanvang door God toegerust met kennis en verstand, met gerechtigheid en heiligheid, met heerschappij en heerlijkheid (zaligheid). De zonde, die de mens verdierf, werkte in op al zijn vermogens en was niet alleen onwetendheid, dwaasheid, dwaling, leugen, blindheid, duisternis; maar ook ongerechtigheid, schuld, zedelijke verdorvenheid, en voorts nog ellende, dood en verderf. Daarom moest Christus, zowel als Zoon en beeld van God voor zichzelf als ook als middelaar en zaligmaker voor ons alle drie ambten dragen; Hij moest profeet zijn, om de waarheid van God te kennen en te openbaren; priester om zich aan God te wijden en in onze plaats zich aan God op te offeren; koning, om naar Gods wil ons te regeren en te beschermen. Leren, verzoenen en leiden; discere, acquirere en applicare salutem; wijsheid, gerechtigheid en verlossing; waarheid, liefde en macht, alle drie zijn tot onze volkomen zaligheid nodig. Profeet is Hij in zijn verhouding van God tot ons; priester in zijn verhouding van ons tot God; koning in zijn verhouding als hoofd tot de mensheid. Het rationalisme erkent alleen zijn profetisch, het mysticisme alleen zijn priesterlijk, het chiliasme alleen zijn koninklijk ambt. Maar de Schrift kent Hem steeds en tegelijk alle drie ambten toe, en beschrijft Hem als onze hoogste profeet, onze enige priester, onze eeuwige koning. Hij is koning, doch Hij regeert niet door het zwaard, maar door zijn Woord en Geest; Hij is profeet, maar zijn woord is macht en geschiedt; Hij is priester, maar Hij leeft door te sterven, overwint door te lijden en is almachtig door zijn liefde. Hij is altijd alles te zamen, nooit het een zonder het ander, in zijn spreken en handelen machtig als een koning en in zijn koninklijke heerschappij vol van genade en waarheid2.

1 Vroeger reeds bij de Socinianen, Ernesti, Doederlein enz. en in de nieuwere tijd bij Ritschl, Rechtf. u. Vers. I2 520. III2 386 v. Lobstein, Revue de théol. et de philos. 1892. Frank, Christl. Wahrheit II2 158. 202. Kaftan, Dogm. bl. 486. 531. Häring, der Christl. Gl. bl. 385 v.

2 Witsius, Exerc. 10 in Symb. Amesius, Med. Theol. I 19. 11. Leydecker, de verit. Rel. Ref. IV 9, 13. Schleiermacker, Chr. Gl. par. 102. Biedermann, Christl. Dogm. II 2 235 v. Darner, Christl. Gl. II 481 v. Philippi, Kirchl. Gl. IV 2 bl. 5 v. Ebrard, Dogm. par. 399. Kähler, Wiss. der Christl. Lehre3 bl. 347. A. von Oettingen, Luth. Dogm. III 177 v. Karl Müller, Jesu Christi dreifaches Amt. PRE 3 VIII 733-741. Hodge, Syst. Theol. II 459 v. Shedd, Dogm. Theol. II 353 v. Kuyper, Heraut 509 v.

x
This website is using cookies. Accept