Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

383. Deze Christus is in heel zijn persoon en in zijn hele werk een openbaring van Gods liefde. De Gnostieken en vooral Marcion maakten een scherpe tegenstelling tussen de God van de toorn, van de wraak, van de gerechtigheid, die zich in het Oude Testament openbaarde, en de God van de liefde en van de genade, die in het Nieuwe Testament in Christus zich had bekend gemaakt1. Maar zulk een tegenstelling is van de Schrift onbekend. De Heere Elohim in het Oude Testament is wel rechtvaardig, heilig, ijverend voor zijn eer en toornende tegen de zonde, maar Hij is ook genadig, barmhartig, graag vergevende en groot van goedertierenheid, Ex. 20:5-6; 34:6-7; Deut. 4:31, Ps. 86:15 enz. In het Nieuwe Testament is God, de Vader van onze Heere Jezus Christus, de God aller genade en barmhartigheid, Luk. 6:36, 2 Cor. 1:3, 1 Petr. 5:10; er is geen tegenstelling tussen de Vader en Christus; even liefderijk, barmhartig en graag vergevende als Christus is, is ook de Vader; het zijn zijn woorden, die Christus spreekt, zijn werken, die Hij doet. De Vader is zelf de Zaligmaker, swthr, Luk. 1:47, 1 Tim. 1:1, Tit. 3:4-5, degene, die in Christus de wereld met zichzelf verzoend en de zonden haar niet toegerekend heeft, 2 Cor. 5:18-19. Christus heeft daarom de Vader niet eerst door zijn werk tot liefde en genade bewogen, maar de liefde van de Vader gaat vooraf en komt in Christus tot openbaring, die een gave van Gods liefde is, Joh. 3:16, Rom. 5:8; 8:32; 1 Joh. 4:9-10.

Wel zegt Paulus in Rom. 3:25-26, dat God Christus Jezus tot een verzoening door het geloof in zijn bloed openlijk, voor aller oog, heeft voorgesteld eiv endeixin thv dikaiosunhv autou; en hierbij is zonder twijfel aan de gerechtigheid als deugd van God te denken, die, vanwege het zonder verzoening laten voorbijgaan van de door Joden en Heidenen vroeger onder Gods lankmoedigheid begane zonden, niet tot openbaring scheen te komen en daarom scheen niet te bestaan; het was dus nodig, dat God Christus in de tegenwoordige tijd, in de volheid van de tijd, tot een verzoening door zijn bloed stelde, opdat Hij zelf bleek rechtvaardig te zijn en ook rechtvaardigen kon degene, die uit het geloof van Jezus is. Maar ook hier is de gerechtigheid van God niet als in strijd met zijn genade en liefde gedacht. Immers, de gerechtigheid van God betoonde zich niet daarin, dat zij de zondaren strafte voor hun overtredingen, maar dat zij in Christus een verzoening door zijn bloed voorstelde, zodat God nu in de vergeving van de zonden toch zelf rechtvaardig bleek en tegelijk de gelovige rechtvaardigen kon. De gerechtigheid van God nl. bestaat in de Schrift allereerst daarin, dat Hij rechtvaardig oordeelt, de schuldige niet voor onschuldig en de onschuldige niet voor schuldig houdt; en dan vervolgens, dat Hij de armen, de ellendigen, degenen, die persoonlijk wel schuldig zijn, maar zakelijk het recht aan hun zijde hebben, helpt en redt en in hun recht erkent. In deze laatste zin wordt gerechtigheid dan aan barmhartigheid, trouw, waarheid verwant; maar zij is van deze toch altijd daarin onderscheiden, dat zij vooral let op de anomalie, die er bestaat tussen het recht, dat iemand heeft en de toestand, waarin hij verkeert2. Ook hier bij Paulus is Gods gerechtigheid niet met zijn goedheid, barmhartigheid, trouw of waarheid identiek, maar zij is nog veel minder daaraan tegengesteld. Immers is zij juist die deugd van God, welke Christus gaf tot een verzoening, opdat God de zonden vergeven kon uit genade, en met behoud van het recht. Van een strijd van Gods gerechtigheid en liefde, zoals het Evangelisch gezang 125:5 die voorstelt, is er dus geen sprake. In onze zondige toestand kan ons dit wel zo voorkomen; maar in God zijn alle deugden één en in volle harmonie. Enerzijds is daarom de voorstelling te verwerpen, alsof Christus enkel een openbaring van Gods straffende gerechtigheid ware. De God van de openbaring, de Vader van onze Heere Jezus Christus, is geen heidense god, wiens nijd en haat tegen de mensen door allerlei offers afgewend moet worden; het offer draagt in de Schrift, ook in het Oude Testament, een heel ander karakter, het veronderstelt het verbond van de genade. Ook kwam er dan een gnostische tegenstelling tussen Vader en Zoon, die de Zoon als de God van de genade verre boven de Vader als de God van de wraak verheffen en Oud en Nieuwtestamentische schepping en herschepping, natuur en genade uit elkaar rukken zou. Maar anderzijds is Christus ook niet op te vatten als een betoning van Gods liefde alleen, althans niet van een liefde, zoals wij ons die menigmaal denken en die van de liefde van God in de Schrift ten enenmale verschilt3. In dat geval toch bleef niet alleen het lijden en sterven van Christus, dat de Schrift ongetwijfeld als een straf voor onze zonde voorstelt, geheel onverklaard; maar het woord van Paulus zou dan ook rechtstreeks weersproken worden, dat God daartoe Christus tot een zoenmiddel gaf, opdat Hij zelf rechtvaardig bleek te zijn en rechtvaardigen kon degene, die uit het geloof van Jezus is. Immers is dit de kern van de gedachte in Rom. 3:21-26, dat thans in het Evangelie God zijn gerechtigheid heeft geopenbaard zonder de wet, onafhankelijk van de wet. Naar de wet kon God zijn gerechtigheid niet anders openbaren dan daarin, dat Hij alle mensen veroordeelde, want zij zijn allen schuldig en voorwerpen van zijn toorn; uit de werken van de wet kan geen vlees gerechtvaardigd worden, Rom. 3:19, 20, 23. Maar het wonder van het Evangelie bestaat daarin, dat Hij zijn gerechtigheid openbaart zonder de wet, en zo, dat Hij zelf rechtvaardig blijft en (niet: desniettegenstaande, maar: krachtens die gerechtigheid) rechtvaardigt degene, die uit het geloof van Jezus is en in zichzelf, naar de wet geoordeeld, een goddeloze is, Rom. 4:5. En dat is nu in die weg mogelijk geworden, dat God Christus openlijk heeft voorgesteld tot een zoenmiddel, door het geloof, in zijn bloed. Bij de gerechtigheid van God is dus in dit verband niet te denken aan die deugd van God, volgens welke Hij naar de wet de zondaar veroordeelt en straft (ofschoon in de dogmatiek de justitia vindicativa gewoonlijk ook tot de gerechtigheid gebracht wordt), maar integendeel aan die eigenschap van God, volgens welke Hij in het Evangelie degene, die uit het geloof van Jezus is, vrijspreekt en rechtvaardigt. Hierin komt Gods gerechtigheid het schitterendst uit, dat Hij in het Evangelie, zonder de wet, rechtvaardig vergeeft. Zij staat niet tegenover de genade, maar sluit deze in zekere zin in; zij baande zich in de zoenofferande van Christus door het geloof een weg, om de goddeloze uit genade te rechtvaardigen; en de genade, uit welke wij gerechtvaardigd worden, realiseerde zich in de weg van recht en gerechtigheid. Hinter dem Zorne ist als letztes Agens die Liebe geborgen, wie hinter Gewitterwolken die Sonne (Delitzsch)4.

1 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 31 De mededeelbare Eigenschappen; C 206.

2 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 31 De mededeelbare Eigenschappen; C 206.

3 Sckwartzkopff, Gottes Liebe und Heiligkeit, Theol. Stud. u. Krit. 1910. Heft 2, bl. 300-313, erkent, dat de liefde van God heilige liefde moet Zijn, die tegen de zonde reageert, en dat gerechtigheid, toorn, wraak enz. niet eenvoudig als antropomorfismen aan God ontzegd kunnen worden, want dan zou er om diezelfde reden in God ook geen liefde kunnen vallen. Maar hij tracht nu verder liefde en heiligheid zo te verenigen, dat hij de laatste aan de eerste ondergeschikt en dienstbaar maakt. God is Vader en tracht al zijn kinderen tot de zaligheid te leiden. Maar als deze weerstaan ten einde toe, dan drijft Gods heilige liefde hen weg en geeft hen aan de ondergang prijs. Toorn, gericht, straf zijn dus Ausdruck und Folge van de liefde. Doch zo behoudt de gerechtigheid van God alleen een eschatologisch karakter, wordt zij in haar openbaring afhankelijk van de wil van de mens, en komt de Paulinische gedachte niet tot haar recht dat God, door Christus openlijk voor te stellen als een zoenmiddel door het geloof in zijn bloed, zijn gerechtigheid daarin openbaarde, dat Hij rechtvaardigen kon dengen, die uit het geloof van Jezus is.

4 Verg. over Rom. 3:21-26 de commentaren van Philippi, Tholuck, Meyer, Zahn, Sanday-Headlam ea., en voorts Pfleiderer, Der Paulinismus2 bl. 143 v. Holtzmann, Neut. Theol. II 100. Fricke, Der Paulin. Grundbegriff der dikaiosunh yeou crörtert auf Grund von Röm. 3:21-26. Leipzig 1888.

x
This website is using cookies. Accept