Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

384. Dit leidt vanzelf tot de in de theologie druk besproken vraag, of deze weg van het recht voor God noodzakelijk was, om zijn genade te openbaren, dan wel of Hij ook zonder voldoening vergeven kon. Scotus ging uit van het absolutum dominium Dei en achtte menswording en voldoening alleen door Gods willekeur bepaald; Athanasius, Augustinus, Thomas, Calvijn, Musculus, Zanchius, Twissus ea. oordeelden ze niet volstrekt noodzakelijk, maar toch in overeenstemming met Gods wijsheid als hoogst passend en geschikt; Irenaeus, Basilius, Ambrosius, Anselmus, Beza, Piscator, Voetius, Turretinus, Owen, de Moor ea. neigden er toe, om ze voor volstrekt noodzakelijk te houden1. Het is te begrijpen, dat velen liever de middenweg bewandelen, dan in God de willekeur ten troon te verheffen of zijn almacht door een absolute necessitas te beperken. Toch is er geen bezwaar, om hierbij van noodzakelijkheid te spreken, indien deze maar goed verstaan wordt. De wil in God is noch een van alle deugden en van heel het wezen Gods gescheiden formele willekeur, noch ook een door al die deugden en door dat hele wezen gebonden en daarom onvrije keuze. De wil van God is dikwijls voor ons de laatste grond van de dingen, en wij hebben daarin te berusten, ook al weten wij niet, waarom God zo en niet anders gehandeld heeft. Maar in God heeft die wil altijd wijze en heilige redenen voor zijn zó en niet anders handelen, want Hij handelt nooit dan in overeenstemming met al zijn deugden, met zijn liefde, wijsheid, gerechtigheid enz. En deze overeenstemming van de wil van God met al zijn deugden is geen dwang, geen beperking voor die wil, maar juist de ware, hoogste vrijheid. Zo te willen en te handelen als zijn heilige, wijze, almachtige, liefderijke natuur zelf wil, dat is voor God beide de hoogste vrijheid en de hoogste noodzakelijkheid. Zo is het ook met de vleeswording en voldoening; zij mogen noodzakelijk heten, niet als een dwang, die God van buiten af opgelegd wordt en waaraan Hij niet ontkomen kan, maar wel als daden en handelingen, die in overeenstemming met zijn deugden zijn en deze op het luisterrijkst tot openbaring brengen.

Ten eerste toch leert de Schrift, dat God alles doet om zijns zelfs wil, Spr. 16:4, Rom. 11:36; de laatste grond en het laatste doel, ook van menswording en voldoening, kan niet liggen in het schepsel, in de zaligheid van de zondaar, maar moet liggen in God zelf. Om zijns zelfs wil heeft Hij zijn Zoon in de wereld gezonden tot een verzoening voor onze zonden, opdat zo zijn deugden tot openbaring zouden komen. En inderdaad is er geen feit, dat die volmaaktheden van God zo in het licht stelt, als de menswording en de voldoening. Niet een enkele deugd treedt daardoor in het helderst licht, maar alle te zamen, zijn wijsheid, genade, liefde, barmhartigheid, lankmoedigbeid, rechtvaardigheid, heiligheid, macht enz. Al is er gewoonlijk alleen sprake van Gods genade en rechtvaardigheid, toch mogen de andere deugden niet worden vergeten. Christus is in zijn persoon, woord en werk de hoogste, volkomenste, alzijdigste openbaring van God, zijn knecht, zijn beeld, zijn Zoon; Hij heeft ons de Vader verklaard. Indien God zich op het heerlijkst openbaren wilde, dan was daartoe de schepping en de herschepping, de menswording en de voldoening noodzakelijk. In de schepping werden reeds zijn deugden openbaar, maar veel rijker en hoger nog in de herschepping; de zonde weet Hij almachtig te gebruiken als een middel, om zichzelf te verheerlijken.

Ten tweede is het de leer van de Schrift, dat God als de volstrekt rechtvaardige en heilige de zonde haat met Goddelijke haat, Gen. 18:25, Ex.20:5, 23:7 Ps. 5:6-7, Nah.1:2, Rom.1:18,32 Er is een absolute tegenstelling tussen God en de zonde, daarin noodzakelijk uitkomende, dat Hij met al zijn deugden er tegen reageert. Hij wil de zonde niet, Hij heeft er geen lust en welgevallen aan, Hij haat ze en toornt er tegen. Zonde kan niet bestaan, zonder dat zij door God gehaat en gestraft wordt. God kan zichzelf niet verloochenen; Hij kan het recht van de zonde niet erkennen. Hij kan aan Satan geen gelijke rechten geven met zichzelf. Juist omdat Hij de volstrekt heilige is, moet Hij de zonde haten. Eigenlijk stemt ieder dat toe; ook al zegt men, dat God de zonde zonder voldoening vergeven kan en als de hoogste liefde ook vergeven moet; toch erkent elk nog, dat God de zonde vergeeft, di. dat Hij ze uit genade niet straft, maar tot die straf wel het recht en de macht bezit. Zelfs de Heer Chavannes vond op de vergadering van moderne theologen weinig instemming met zijn stelling, dat de uitdrukking “vergevende liefde” een contradictie in adjectis is en niets betekent2.

Ten derde is God zeer zeker Vader van de mensen, maar deze naam geeft lang niet de hele verhouding weer, waarin God tot zijn schepselen staat. Hij is ook Schepper, Onderhouder, Regeerder: Souverein, Wetgever, Rechter enz., en het is eenzijdig en tot dwaling leidende, indien men in één van deze namen met voorbijzien van de andere de volle openbaring van God aanschouwt. Zo is God ten opzichte van de zonde geen schuldeiser en geen beledigde partij alleen, die de schuld kwijtschelden en de belediging vergeten en vergeven kan. Maar Hij is zelf de Gever, Beschermer, Wreker van de wet, de persoonlijke gerechtigheid, en als zodanig kan Hij de zonde niet vergeven zonder voldoening, Hebr. 9:22. In die kwaliteit kan Hij het recht van de wet niet teniet doen; want het gaat hier niet om een persoonlijk, privaat recht, waarvan men afstand kan doen, maar om de gerechtigheid, di. om de deugden en de eer van God zelf. Wel zou men hiertegen zich beroepen kunnen op het recht van gratie, dat de aardse overheid menigmaal uitoefent; maar dit recht van gratie is haar alleen daarom gegund, omdat zij feilbaar is en in vele gevallen een te zware of zelfs onverdiende straf oplegt3. In God kan zo iets niet vallen; Hij is de gerechtigheid zelf, behoeft door de gratie de justitia niet te herstellen, doet ze door haar ook niet te niet, maar laat ze samen in het kruis van Christus tot openbaring komen.

Ten vierde is de zedewet als zodanig geen willekeurige, positieve wet, maar in de natuur van God zelf gegrond; zij is ook geen onpersoonlijke, van God onafhankelijke, in zichzelf rustende macht, zodat Christus niet aan God, maar aan haar eis voldeed4, maar zij is uitdrukking van zijn wezen. God, de wet handhavend, handhaaft zichzelf en omgekeerd. Daarom is zij onverbrekelijk en onschendbaar. Door heel de Schrift heen draagt zij dat karakter; onze eigen consciëntie geeft er getuigenis aan; en heel de zogenaamde zedelijke wereldorde met haar verschijnselen van verantwoordelijkheid, plichtbesef, schuld, berouw, angst, wroeging, straf enz., is op deze onschendbaarheid van de zedewet gebouwd. Christus is dan ook niet gekomen, om de wet te ontbinden maar te vervullen, Matt. 5:17-18, Rom. 10:4; Hij heeft haar majesteit en heerlijkheid gehandhaafd; en het geloof doet de wet niet te niet maar bevestigt ze, Rom. 3:31.

Ten vijfde, de zonde draagt in de Schrift velerlei karakter; zij is onverstand, dwaasheid, schuld, smet, onreinheid, schande enz., zij wordt vergeleken bij een geldschuld, en is onder een ander gezichtspunt ook weer een belediging van God. Maar daarnaast komt zij in de Schrift ook voor als een misdaad, crimen, een vergrijp tegen de gerechtigheid, een schennis van de majesteit van God, welke ons onder zijn oordeel brengt, Rom. 3:19, en des doods waardig maakt, Rom. 1:32. In dit karakter eist ze straf en is er zonder oldoening geen vergeving; alleen in de weg van het recht is zij, zo wat haar schuld en smet als wat haar macht en heerschappij aangaat, volkomen te overwinnen.

Ten zesde mag hieraan nog toegevoegd worden, dat de zonde zo groot is, dat God haar, eer Hij ze ongestraft liet blijven, aan zijn lieve Zoon Jezus Christus met de bittere en smadelijke dood van het kruis gestraft heeft. Indien de rechtvaardigheid op een andere wijze was te verkrijgen geweest, zou Christus te vergeefs gestorven zijn, Gal. 2:21, 3:21, Hebr. 2:10. Om alles samen te vatten, vleeswording en voldoening zijn daartoe geschied, dat God weer als God door zijn schepselen zou worden erkend en geëerd. Zonde was miskenning van God en van al zijn deugden, heenwending tot en aanbidding van het creatuur. Maar in Christus heeft God zichzelf weer geopenbaard, zijn soevereiniteit hersteld, al zijn deugden gerechtvaardigd, zijn naam verheerlijkt, zijn Godheid gehandhaafd. Het was God, ook in het werk van de verlossing, allereerst om zichzelf, om zijn eigen glorie te doen5.

1 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 31 De mededeelbare Eigenschappen; D 208 v., en Voetius, Disp. II 238.

2 Bijblad van de Hervorming 28 Juli 1895. Op een andere wijze wordt de vrijheid van de vergeving beperkt door Gaston Frommel, La psychologie de pardon dans ses rapporte avec la croix de Jésus-Christ. Van de zijde van de ontvanger is vergeving gebonden aan berouw (erkentenis en belijdenis van schuld, verootmoediging en dus in zekere zin réparation); vergeving zou zonder berouw niet aangenomen worden, en zou, zonder berouw geschonken, ook geen zedelijke daad zijn. Nu verdient het berouw de vergeving wel niet (-) le pardon n’est pas dû à la repentance, mais il n’est accessible qu’ à la repentance (-) maar berouw moet toch beantwoorden aan de zwaarte van de zonde, en is altijd tot zekere hoogte een voldoening aan de gerechtigheid. Een volmaakt berouw zou zijn une expiation complete; la réalité de la repentance, c’est l’expiation; en als zodanig trekt het berouw de vergeving aan en lokt ze uit. Nog sterker drukt Moberly, Atonement and Personality bl. 48- 73 zich uit; vergeving is nooit inconditioneel, maar veronderstelt altijd in de schuldige berouw, dat is eigenlijk een nieuwe mens, die met zijn verleden gebroken heeft en nu zelf buiten en tegenover zijn zonde staat. Vergeving veronderstelt m. a. w. in de schuldige “forgiveableness,” (welke echter volgens Moberly niet uit de mens zelf opkomt, maar in hem gewerkt wordt door de Geest van Christus), en deze “forgiveableness” maakt dan de vergeving van de kant van de beledigde noodzakelijk. Of God al dan niet vergeeft, depends wholly and only upon whether the man is or is not forgiveable. Is hij het niet, dan kan en mag hem niet vergeven worden; is hij het wel, dan mag en moet hem vergeven worden, bl. 56. 57. De fout van deze redenering ligt ten 1ø hierin, dat de zonde eenzijdig als een private belediging opgevat, en in haar karakter van misdaad, wetsovertreding, aanranding van de gerechtigheid miskend wordt, en 2ø daarin, dat berouw min of meer met verzoening vereenzelvigd wordt. Berouw, dat bijv. na de gepleegde daad in de misdadiger opkomt, kan wel aantonen, dat hij zo slecht niet was als de rechter misschien te voren had gedacht en dus in diens bewustzijn de zwaarte van de schuld en van de straf verminderen; maar het is uit de aard van de zaak onmachtig, om het verleden goed te maken en de schuld uit te wissen. Later komt dit nog breder ter sprake, evenals ook het andere punt, door Frommel aangeroerd, dat de vergeving ook van de zijde van hem, die haar schenkt, aan bepaalde voorwaarden gebonden is.

3 Mr. A. de Jong, Geschiedenis en Begrip van Gratie. Rotterdam 1902, noemt, behalve de beperktheid en gebrekkigheid van het positieve recht, als tweede rechtsgrond voor gratie nog het staats- of maatschappelijk belang, bl. 108 v. Deze rechtsgrond is echter niet zozeer een grond voor het recht, om gratie te verlenen, als wel een door de omstandigheden aan de overheid geboden noodzakelijkheid, om verdiende straf niet of niet ten volle toe te passen, en wordt bovendien door anderen verworpen, bl. 120.

4 Zoals Dale, The atonement bl. 363 v. het voorstelt.

5 Voetius, Disp. I372. II 238 v. Mastricht, Theol. V 18, 34. Turretinus, Theol2 El. XIV 1 v. Id., de satisf. Christi, disp. 1 en 2. Heidegger, Corpus Theol. XIX. 80 v. Heppe, Dogm. bl. 341. Ebrard, Dogm. par. 427. Martensen, Christl. Ethik II 155 v. Dorner, Chr. Gl. II 614. Hodge, Systtheol, II 487. Arch. Alex. Hodge, The atonement bl. 48. Skedd, Dogm. Theol. I 378. Hugh Martin, The atonement bl. 172.

x
This website is using cookies. Accept