Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

385. De Socinianen en hun geestverwanten echter hebben deze noodzakelijkheid van de voldoening zeer ernstig bestreden; hun argumenten komen alle hierop neer, dat recht en genade, voldoening en vergeving, en dus verder ook Wet en Evangelie, Oud en Nieuw Testament, schepping en herschepping enz., met elkaar in strijd zijn en elkaar uitsluiten. De Christelijke religie is nl. volgens hen de absoluut geestelijke en zedelijke religie, van alle natuurlijke en zinnelijke elementen bevrijd. God is niet te denken als Rechter, maar als Vader; straffende gerechtigheid, heiligheid, haat, toorn tegen de zonde zijn geen deugden in God, maar alleen de liefde is een beschrijving van Zijn wezen. De Oudtestamentische religie stond nog op het standpunt van de wet, vatte de verhouding van de mens tot God als rechtsverhouding op; het Farizeïsme dreef dit op de spits en Paulus bediende zich nog van dit farizees spraakgebruik en hield de farizese combinatie van wetsvervulling, gerechtigheid en loon in zijn denken aan. Maar toch leidt Paulus de onvervulbaarheid van de wet niet af uit de zondigheid van de mens, doch uit de natuur van de wet zelf, die niet dient om leven te geven, maar om de zonde te vermeerderen. De Christelijke religie vat hij dus toch zuiver als Erlösungsreligion op, als genade, vergeving, geloof. En dat is zij inderdaad. Zij is enkel religieus-ethisch, heeft geen kosmische, juridische, metafysische bestanddelen meer, zij is enkel heilsleer; en al het andere, de leer van God, de mens, de zonde, de wereld enz., moet van uit dit standpunt, christologisch en soteriologisch, herzien en omgewerkt worden. De staat is de sfeer van het recht, maar religie en recht staan lijnrecht tegenover elkaar1.

Heel deze tegenstelling is echter vals en is in de Christelijke theologie altijd als Marcionitisch verworpen. Ten eerste toch is het onwaar, dat gerechtigheid en genade (liefde) in God een tegenstelling zouden zijn; niet alleen kent heel de Schrift aan God ook de deugden van gerechtigheid, heiligheid, toorn en haat tegen de zonde toe2, maar de genade veronderstelt zelfs de gerechtigheid in God en is zonder haar niet te handhaven. Immers, genade is die deugd in God, waardoor Hij om een of andere reden van zijn recht afstand doet; indien Hij zo niet als de rechtvaardige en heilige recht heeft om te straffen, kan er bij Hem van genade geen sprake zijn. Ook is de hoogste liefde in God, di. de vergevende liefde, die in Christus is geopenbaard, geen liefde meer, indien de zonde naar Gods rechtvaardig oordeel geen straf verdiende. Wie het recht ontkent, ontkent ook de genade. Ten tweede vormen recht en religie (zedelijkheid) volstrekt geen tegenstelling. Godsdienst en zedelijkheid zijn zelf een recht, dat God op ons heeft; Hij eist in zijn wet, dat de mens Hem liefheeft boven alles en de naaste als zichzelf. Daarmee worden godsdienst en zedelijkheid niet verlaagd of veruitwendigd, maar integendeel in hun ware betekenis gehandhaafd. God wil, dat de mens Hem liefhebben zal met geheel zijn hart en met geheel zijn verstand en met al zijn krachten; Hij eist de hele mens voor zijn liefdedienst op. Godsdienst en zedelijkheid zouden niet kunnen bestaan, indien zij niet wortelden in het recht van God op zijn schepsel. De zedelijke orde wordt in deze zin door de rechtsorde gedragen. Veel dieper dan het religieus en het ethisch bewustzijn wortelt in de mens nog het rechtsgevoel. Zelfs bij hen, die allen godsdienst en alle zedelijkheid hebben uitgeschud, leeft het dikwijls nog krachtig op. En wel is het waar, dat de volmaakte mens God en de naaste liefheeft spontaan en naar de inspraak van zijn heilige natuur; maar dit verandert niets aan het feit, dat juist die dienst uit liefde met Gods wet overeenkomt en daarin voorgeschreven wordt. De zedewet is wel terdege een eis en een recht van God, al is het, dat zij de hele mens opeist en een dienst in geest en waarheid verlangt. Want gelijk godsdienst en zedelijkheid wortelen in een recht van God, zo is omgekeerd dat recht van God geen abstracte, formele willekeur, maar juist in Gods natuur gegrond; de rechtsorde draagt zelf weer een ethisch karakter en vindt in de zedelijke orde bevestiging en steun. Ten derde is daarom de bewering onjuist, dat de zedelijke wereldorde eerst door de zonde een wettelijke geworden is3. Wettelijk is ze wel voor de mens door de zonde geworden, in die zin, dat de liefde tot God en de naaste thans als een gebod buiten en tegenover hem staat, waaraan hij niet beantwoorden kan, dat hij overtreden heeft, en welks straf hij verdient. Maar wettelijk is ze niet door de zonde geworden, als zou zij niet rusten in een recht en een wet van God. De Lutherse theologie heeft dit wel zo geleerd4, maar de Gereformeerde heeft anders en beter geoordeeld. De wet is wel terdege de, ook afgezien van de zonde, in Gods wezen gegronde norma voor heel de zedelijke wereldorde. Deze is zelfs niet denkbaar zonder een wet. Alle godsdienst en zedelijkheid veronderstelt een wet. Waar geen wet is, is ook geen overtreding. Wie de zedelijke wereldorde van de wet losmaakt, maakt ze objectief en subjectief tot willekeur en graaft het fundament onder haar voeten weg. Ten vierde, wie recht en genade zo dualistisch tegenover elkaar plaatst, raakt op alle punten met de Schrift in strijd. De status integritatis, als leven van de naar Gods beeld geschapen mens in overeenstemming met de zedewet, is niet langer te handhaven. Zonde is geen schuld en verdient geen straf, anders dan in het bewustzijn van de zondaar. De wet heeft geen eeuwige, maar alleen een tijdelijke, voorbijgaande, pedagogische betekenis. Het Oude Testament, als godsdienst van de wet, gaat ons niet meer aan. De leer van de gerechtigheid van God en van de voldoening in Christus is een Joods, farizees inkruipsel in de theologie van het Nieuwe Testament. De vergeving van de zonden is een subjectief tot inzicht komen, dat zij geen schuld zijn en geen straf verdienen. De heiligmaking is zedelijke, autonome zelfontwikkeling. De kerk is alleen een religieus-ethische gemeenschap en heeft met recht en wet niets van doen. Onder de schijn van de Christelijke religie zuiverder op te vatten, wordt ze van haar hart en kern beroofd.

Eindelijk, ten vijfde, indien echter genade, liefde, vergeving geheel onverdiend zijn en alle het vrijwillig afstand doen van een recht veronderstellen, dan kan zeer zeker met Socinus5 de vraag nog worden gedaan, of God van dat recht geen afstand kan doen zonder voldoening te eisen; God is toch traag tot toorn, lankmoedig en barmhartig en vergeeft in de Schrift menigmaal, zonder dat er van enige voldoening sprake is, als er maar oprecht berouw aanwezig is, Deut. 30:1-3, Jerem. 3:13-14; 18:8; Matt. 18:24v., Luk. 15:11v. Bij deze vraag, indien zij werkelijk ernstig gemeend is, is er dan geen verschil meer de jure maar alleen de facto. Recht had God, om voldoening te eisen; genade en vergeving veronderstellen het; alleen is er verschil over, of God die voldoening geëist heeft. Het zal straks blijken, dat het lijden en sterven in waarheid een satisfactorisch karakter draagt. Tegenover deze werkelijkheid is de vraag naar de mogelijkheid, of God van zijn recht op voldoening geen afstand had kunnen doen, van zeer ondergeschikte betekenis. Maar in elk geval is het ongeoorloofd, met de vergeving de voldoening te bestrijden, als zou de een de andere uitsluiten. Want niet alleen worden zij in de Schrift met elkaar verbonden, Lev. 4:31, Rom. 3:24-26, Hebr. 9:22, maar zij worden ook in die verhouding tot elkaar geplaatst, dat de voldoening juist de weg tot de vergeving ontsluit. Bij geldschulden heft de voldoening de vergeving wel op, omdat het hierbij in het geheel niet aankomt op de persoon, die betaalt, maar alleen op de som, die betaald wordt. Maar bij zedelijke schulden is dat heel anders. Deze zijn persoonlijk en moeten in de schuldige zelf worden gestraft. Indien hier al een plaatsvervanger toegelaten wordt, dan is het toelaten van zulk een plaatsvervanger en het laten gelden van zijn verdiensten voor die van de schuldige toch altijd een daad van genade. Voldoening geeft Christus aan God, maar vergeving schenkt God aan ons; de vergeving is niet met het oog op Christus, maar met het oog op ons genade. De voldoening van Christus opent voor God de weg, om zonder krenking van zijn recht uit genade de zonde te vergeven en de goddeloze te rechtvaardigen. Indien de zonde van dien aard is, dat recht en gerechtigheid, wet en waarheid niet de minste schade lijden, ook al wordt ze niet gestraft, dan is ook de genade van de vergeving niet groot. Maar als de zonde zo groot is, dat God haar, eer Hij ze ongestraft liet blijven, met de bittere en smadelijke dood van het kruis aan zijn lieve Zoon Jezus Christus gestraft heeft, dan komt de rijkdom van Gods genade, de macht van zijn vergevende liefde aan het licht. Dan vindt ook de mens voor zijn beschuldigend geweten in die voldoening rust en troost, en kan hij zonder enige vrees in de vergeving van zijn zonden zich verheugen; want de volkomen genoegdoening waarborgt de volstrekte, onberouwelijke, eeuwige vergeving6.

1 Verg. voor de Socinianen Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 47 Het werk van Christus in Zijn vernedering; 378 v. en voorts Wegscheider, par. 142. Hofstede de Groot, De Gron. Gods. 181. Scholten, L. H. K. II 46 v., 57 v. Schweizer, Gl. der ev. ref. K. par. 63 v. Christl. Glaub. par. 94 v. Pfleiderer, Paulinismus2 86-110, 150-159. Holtzmann, Neutest. Theol. II 108 v. Ritschl, Rechtf. u. Vers III 28-14, 223-265. Kaftan, Dogm. 544 v. v. Hartmann, Religionsphilos. I 546 v.

2 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 31 De mededeelbare Eigenschappen; 211-227.

3 Kaftan, Dogm. bl. 370. 545.

4 Verg. Deel II; Hoofdstuk 5; Par. 39 De bestemming van de mens; 297.

5 Socinus, de Christo Servatore 11.

6 Maccovius, Coll. theol. I 274. Mastricht, Theol. V 18, 35. Turretinus, Theol. El. XIV qu. 10, 8. Id., de Satisf. bl. 44. Hoornbeek, Socin. conf. II 629. Petrus de Witte, Wederleggingen der Socin. dwalingen. Amsterdam 1662 II 90 v. Leydecker, Vis verit. bl. 82. De Moor, Comm. III 1031. Shedd, Dogm. Theol. II 382. Hugh Martin, The atonement blz. 183 enz.

x
This website is using cookies. Accept