Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

386. Het werk dat Christus voor de zijnen volbracht, bestond in het algemeen in zijn volstrekte en volmaakte gehoorzaamheid aan Gods wil, Matt. 3:15; 20:28; 26:42; Joh. 4:34; 5:30; 6:38; Rom. 5:19, Gal. 4:4, Phil. 2:7-8, Hebr. 5:8, 10:5-10 enz. Deze rijke gedachte is in de theologie menigmaal niet tot haar recht gekomen. Het lijden van Christus is dikwijls van de daad van de gehoorzaamheid, die zich daarin uitsprak, losgemaakt en zo tot voorwerp van de vrome bepeinzing gemaakt. In de Christelijke kerk zijn achtereenvolgens de martelaren, de monniken, de bedelaars, de geselaars als de echte discipelen van Jezus beschouwd; ascese en zelfpijniging in allerlei vorm waren de Christelijke deugden bij uitnemendheid; de navolging van Christus bestond in een copiëeren en nabootsen van daden en toestanden uit zijn leven, bepaaldelijk uit zijn lijden, Christus was de grote lijder, de verheven martelaar, wiens lijden voorwerp van contemplatie en imitatie moest zijn1. Bij Anselmus bestond de voldoening van Christus, daar Hij tot gehoorzaamheid aan Gods wet al voor zichzelf verplicht was, alleen in zijn lijden en sterven, dat door Hem als een opus supererogationis aan zijn leven toegevoegd en als een vrijwillig geschenk aan de Vader aangeboden werd. De Roomse theologie spreekt zich over de actieve gehoorzaamheid van Christus niet eenstemmig en ondubbelzinnig uit. Trente maakt wel melding van de sanctissima passio van Christus2, maar de theologen verwerpen ze geheel of vatten ze toch zo op, dat Christus niet in onze plaats de wet Gods vervuld heeft3. Ook onder de Protestanten komen bij Mystieken, Wederdopers, Herrnhutters enz., opvattingen van het lijden van Christus als Etwas Sachliches voor, die aan zijn actieve gehoorzaamheid te kort doen. Zelfs Parsimonius en Piscator loochenden haar4, omdat Christus reeds voor zichzelf tot deze gehoorzaamheid verplicht was en deze gehoorzaamheid dus wel een neccessarium requisitum personale was, ons ten goede, nostro bono, maar geen bestanddeel van zijn voldoening, nostro loco volbracht; omdat de Heilige Schrift altijd aan het lijden en sterven van Christus alleen onze hele zaligheid, beide de vergeving van de zonden en het eeuwige leven, verbindt; en omdat de gelovigen, ook al hebben zij de vergeving en het eeuwige leven, toch tot onderhouding van de wet verplicht blijven. De Luthersen zagen hierin Nestorianisme en zeiden, dat de persoon van Christus naar beide naturen Heer van de wet was, en dus ook niet als mens vanzelf voor zijn persoon aan de wet onderworpen was5.

Maar de Gereformeerden konden zo niet spreken, omdat Christus als waarachtig mens wel zeker verplicht was, om de wet te onderhouden, en God lief te hebben boven al en de naaste als zichzelf. Toch verwierpen zij terecht het gevoelen van Piscator. Want ten eerste, de Heilige Schrift vat heel het leven en werk van Christus op als één geheel, en maakt nooit scheiding tussen een obedientia vitae, die Hij voor zichzelf, en een obedientia mortis, die Hij voor ons volbracht. Het is één werk, dat de Vader Hem heeft opgedragen en dat Hij in zijn dood ten einde brengt, Joh. 4:34, 17:4, 19:30. Zijn dienen voltooit zich in het geven van zijn ziel tot een losprijs voor velen, Matt. 20:28. Zelfs Paulus, die alle nadruk legt op het kruis van Christus, ziet in zijn dood niet zijn hele, maar de voleindiging van zijn gehoorzaamheid. Hij is geworden onder de wet, Gal. 4:4, in gelijkheid van het zondige vlees, Rom. 8:3, heeft niet geleefd ten gevalle van zichzelf, oic eautw hresen Rom. 15:3, heeft bij de menswording zich al vernietigd en de gestalte van een dienstknecht aangenomen, heeft zich voortdurend vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood toe, mecri yanatou, Phil. 2:7-8; 2 Cor. 8:9, en zo is het één diaiwma en één upakoh, die aan velen de dikaiwsiv zwhv schenkt, Rom. 5:18-19. Het is daarom geheel met de Schrift in strijd, om het satisfactorisch werk van Christus te beperken tot zijn lijden, of zelfs zoals Jac. Alting deed6, tot het lijden gedurende de drie uren duisternis aan het kruis. Het beroep op plaatsen als Zach. 3:9, Joh. 19:30, Rom. 6:10, Hebr. 7:27; 1 Petr. 3:18, waar gezegd wordt, dat Christus éénmaal, op het hout, geleden heeft en uitgeroepen heeft: het is volbracht, bewijst hiertegen niets, omdat in het lijden en sterven heel het voorafgaande leven van Christus is opgenomen, samengevat en voltooid7. Veeleer is heel het leven en werk van Christus van zijn ontvangenis af tot in zijn dood toe plaatsvervangend van aard. De aanneming van de menselijke natuur zelf en op zich zelf draagt dit karakter nog niet, omdat alle middelaarswerken de twee naturen onderstellen; maar zijn heilige ontvangenis en geboorte en al zijn heilige werken, zijn in het éne werk van Christus begrepen8.

Ten tweede is het zeker waar, dat Christus als mens, voor zichzelf aan de wet onderworpen was; alleen maar, zijn menswording en zijn mens-zijn is niet voor Hem zelf, maar voor ons geschied. Christus is nooit geweest en mag nooit beschouwd worden als een persona privata, een individu naast en op gelijke lijn met anderen; Hij was van de aanvang af een persona publica, de tweede Adam, sponsor et caput electorum. Zoals Adam voor zichzelf zondigde en daardoor schuld en dood op allen laadde, van wie hij representant was; zo heeft Christus door zijn gerechtigheid en gehoorzaamheid de vergeving en het leven voor al de zijnen verworven. Meer nog, zeker was Christus als mens aan de wet van God onderworpen als regel van het leven; zelfs de gelovigen worden nooit van de wet in die zin ontslagen. Maar Christus heeft zich nog in een geheel andere verhouding tot de wet gesteld, nl. tot haar als wet van het werkverbond. Adam was niet alleen tot onderhouding van de wet verplicht, maar de wet werd hem in het werkverbond nog onder een andere forma voorgehouden, nl. als weg tot het eeuwige leven, hetwelk hij nog niet bezat. Christus echter had door zijn vereniging met de Goddelijke natuur het eeuwige en zalige leven. Daarvan deed Hij vrijwillig afstand; Hij heeft zich aan de wet van het werkverbond onderworpen als weg tot het eeuwige leven voor zich en de zijnen. De gehoorzaamheid, die Christus bracht aan de wet, was dus een heel vrijwillige. Niet zijn dood alleen, zoals Anselmus zei, maar heel zijn leven was een zelfverloochening, één zelfofferande, door Hem als Hoofd in de plaats van de zijnen gebracht.

Ten derde, dat de gelovigen nog altijd tot onderhouding van de wet als regel van het leven verplicht zijn, bewijst daartegen niets. Indien dit iets bewees, zou al het satisfactorische uit Jezus’ leven en lijden verdwijnen. Want de gelovigen hebben nog allerlei lijden als gevolg van de zonden te dragen, zij worden nog verzocht door Satan en verlokt door de wereld, zij zondigen nog telkenmale en moeten nog sterven enz., en zo zou Christus hen van niets, noch van de zonde noch van haar gevolgen, hebben bevrijd. Jac. Alting redeneerde zo en zei daarom, dat Christus de zijnen alleen van de eeuwigedood door zijn helse angsten gedurende de drie uren duisternis aan het kruis, maar niet van het lijden, de lichamelijke dood enz. had bevrijd. Maar deze beschouwing van het werk van de verlossing is zonder twijfel verkeerd. De verlossing is volkomen, een verlossing van de hele mens naar ziel en lichaam, van alle zonden en gevolgen van de zonde. En deze is volbracht in en door Christus’ leven en sterven. Zoals echter zijn koninkrijk door Hem onderscheiden is in een onzichtbaar geestelijk en een zichtbaar, op aarde eens te stichten rijk; zoals Hij zelf eenmaal gekomen is, om te lijden, en straks wederkomen zal om te oordelen levenden en doden; zo wordt de verlossing, door Christus aangebracht, langzamerhand uitgewerkt en toegepast, eerst geestelijk, daarna lichamelijk. Nu in deze bedeling worden de gelovigen geestelijk bevrijd van alle schuld en macht van de zonde en van al haar gevolgen, van wereld, Satan, dood; zij hebben de vergeving van de zonden en het eeuwige leven; wet, Satan, dood kunnen hun deze niet meer ontroven; en eens zullen zij ook uitwendig, lichamelijk van alle zonde en heerschappij van de zonde bevrijd worden. De hele herschepping, zoals ze voltooid zal zijn in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, is vrucht van het werk van Christus. Zoals het eenzijdig is, om met Alting de vrucht van Christus’ werk alleen in de verlossing van de eeuwige dood te zien; even eenzijdig is het, om met Ritschl die vrucht tot de geestelijke, ethische heerschappij van de Christen over zonde en wereld in het Diesseits, te beperken. De hele persoon van Christus, beide in zijn actieve en passieve gehoorzaamheid, is de volkomen borgtocht voor de hele verlossing, welke God uit genade aan mens, mensheid en wereld schenkt9.

1 Zöckler, Ascese und Mönchthum 11897 bl. 145 v. Moll, Joh. Brugman II 1-97.

2 Conc. Trid. VI c. 7.

3 Bellarminus, de Justif. 12. de Christo V 9. Bossuet, Gesch. der veranderingen vd. Prot. kerken, vert. door Berends 1829 II 340. Scheeben, Dogm. III 321. 341

4 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 33 De raad Gods; 238.

5 Gerhard, Loci Theol. XVI 57. 59. Quenstedt, Theol. III 284. Schneckenburger, Zur kirchl. Christol. bl. 58-73. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I2 274.

6 Jac. Alting, Op V 393-395; verg. echter bl. 478-480.

7 De Moor, Comm. III 985 v. M. Vitringa, Doctr. VI 102 v. Mastricht, Theol. V 11, 34. 18, 29. Witsius, Oec. foed. II 6. Misc. Sacra II 771. Maresius, Syst. Theol. IX 46. Examen v. h. Ontw. v. Tol. X 467-471.

8 Lombardus, Sent. III dist. 18, 2. Heidelb. Catech. vr. 36 en 60. Nederl. Gel. art. 22. Over de woorden in dit artikel: et tot salicta ejus opera, quae pro nobis fecit, rees verschil op de Synode te Dordrecht, sess. 172. 173. Behalve anderen, helden ook Bogerman en Lubbertus over tot het gevoelen van Piscator, verg. H. H. Kuyper, De Postacta 1899 bl. 338 v. Voetius, Disp. II 282. Schneckenburger, Vergl. Darst. I 91. 122 v. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I2 287.

9 Over de actieve gehoorzaamheid zijn verder te raadplegen: Calvijn, Inst. II 16, 5. III 14, 12. Comm. op Rom. 5:19. Gal. 4:4. Gomarus, Theses theol. disp. 19, 9. Junius, Theses theol. 36, 8. Synopsis pur. theol. 29, 35. Turretinus, Th. El. XI 22. XIV 13. Cloppenburg, Op. I 504 v. Witsius, Oec. foed. II 3, 18 v. Coccejus, de foedere v93. Quenstedt, Theol. III 281. Gerhard, Loci XVI 57 v. Walch, Comm. de obed. Christi activa 1755. Baur, Versöhnung bl. 478 v. Philippi, Der thätige Gehorsam Christi 1841. Id., Kirchl. Gl. IV 2 bl. 142 v. Frank, Chr. Wahrheit II 172. Id., neue Kirchl. Zeits. 1892 bl. 856. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I2 271 v. A. A. Hodge, The atonement bl. 248-271. J. Scott Lidgett, The spiritual principle of the atonement bl. 139 v.

x
This website is using cookies. Accept