Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

427b. De geschiedenis van de heilsorde stelt op overtuigende wijze haar belangrijkheid in het licht, niet alleen theoretisch voor de verrijking van onze kennis, maar bovenal ook praktisch voor de regeling van ons leven. Omdat God in het hart van de mens de eeuw heeft gelegd, kan hij er nooit aan ontkomen, om in enige vorm de vraag te stellen; hoe vind ik het hoogste goed en het duurzame geluk? waardoor word ik met God verzoend en opgenomen in zijn gemeenschap? welke is de weg naar het eeuwige, zalige leven? of, zoals Luther het eenmaal uitsprak: wie kriege ich einen gnädigen Gott? Het is de heilsorde, ordo of via salutis, die daarop antwoord zoekt te geven. Want daaronder is te verstaan de wijze waarop, de orde waarin, of de weg, waarlangs de zondaar in het bezit komt van de weldaden van de genade, die door Christus verworven zijn. In de dogmatiek kreeg zij eerst laat een zelfstandige plaats en een enigzins geregelde behandeling. Bij de Scholastici is de stof voor deze locus nog verspreid; het voornaamste, dat hier ter sprake komt, is te vinden in de commentaren op Sent. II dist. 26-29, III dist. 26-27, en op de Summa II 1 qu. 109-114. Het Tridentinum behandelt al de op de genade betrekking hebbende onderwerpen onder de titel de justificatione, sess. VI. De Roomse theologen vatten de stof gewoonlijk samen in een locus de gratia, en brengen daarin achtereenvolgens ter sprake de gratia actualis (natura, necessitas, gratuitas, universalitas, sufficientia, efficacia), de gratia habitualis of sanctificans (natura, dispositiones, effectus, stabilitas, augmentum), en de fructus gratiae of meritum (natura, conditiones, objecta). De reformatorische theologie behandelde de heilsorde eerst gewoonlijk in drie capita: de poenitentia, de fide, de bonis operibus; maar zij zag zich reeds spoedig tot uitbreiding genoodzaakt en nam toen verschillende onderwerpen op: de vocatio, illuminatio, regeneratio, conversio, fides, justificatio, sanctificatio enz. natuurlijk werd toen spoedig de behoefte gevoeld, om deze uitgebreide, rijke stof onder één hoofd samen te vatten en op een bepaalde wijze te rangschikken. Calvijn ging daarin reeds voor en gaf aan het derde boek van zijn Institutie de titel: de modo percipiendae Christi gratiae, et qui inde fructus nobis proveniant et qui effectus consequantur. Anderen spraken van gratia Sp. S. applicatrix (Quenstedt), swthriopoiia seu salutis consequendae modus (Calovius), redemptionis applicatio (Mastricht), ordo salutis seu salutis impetrandae modus (Reinhard) enz., terwijl er in de orde van behandeling nog groter verscheidenheid heerste1.

Handelend over deze heilsorde, denkt de theoloog echter geen eigen weg ter zaligheid uit en gaat hij ook niet bij de wetenschap, de kunst of de cultuur ter school, maar heeft hij zich te houden aan zijn uitgangspunt, dat de Heilige Schrift het enige en genoegzame beginsel van de theologische wetenschap is. Evenals in elke andere locus, heeft hij ook bij de behandeling van de via salutis voor eigenwillige godsdienst zich te wachten. Op de vraag: welke is de weg naar de hemel? mag hij geen ander antwoord geven, dan hetgeen in de Heilige Schriften is vervat. Geen mens, maar God zelf heeft die weg in Christus gelegd en bekend gemaakt; het is een verse en levende weg, die door Christus zelf gebaand en bewandeld is, die waarlijk tot het eeuwige leven leidt, Hebr. 10:20, en waarop de kinderen van God van het begin tot het einde door de Geest van Christus geleid worden, Ps. 73:24; Rom. 8:14. Maar juist, als de theologie ook in de heilsweg, zo streng mogelijk zich houden wil aan het onderwijs van de Heilige Schrift, komt zij terstond voor een eigenaardige moeilijkheid te staan. Enerzijds toch is alles door Christus volbracht, de zonde verzoend, de wet vervuld, de dood overwonnen, Satan onderworpen, de vergeving verworven, het leven in onverderfelijkheid aan het licht gebracht. Men zou, hierop alleen lettende, verwachten, dat zij, voor wie Christus gestorven is, dadelijk en volkomen van zonde, lijden, dood bevrijd en de heiligheid en zaligheid deelachtig zouden worde. Dit is echter niet het geval; integendeel worden zij in de tijd vermaand tot geloof en bekering, moeten wedergeboren, gerechtvaardigd, geheiligd en verheerlijkt worden, blijven in dit leven aan zonde, lijden en dood onderworpen, en gaan eerst door vele verdrukkingen in in het koninkrijk van de hemelen. Hoe is het een met het andere te rijmen? Enerzijds alles volbracht, zodat er voor de mens niets te doen overblijft; en anderzijds schijnt aan de mens nog het voornaamste te moeten gebeuren, zal hij de verworveen zaligheid deelachtig worden. De Christelijke religie schijnt twee onverzoenbare standpunten in te nemen, het hetero- en het autosoterische, als zij de verwerving van de zaligheid geheel aan Christus toeschrijft en ons toch opwekt, om onze zaligheid uit te werken met vrees en beving2. Twee klippen zijn er daarom, op welke de Christelijke heilsorde altijd gevaar liep te stranden, op het antinomisme aan de ene en op het nomisme aan de andere kant.

Het nomisme (Pelagianisme in zijn verschillende vormen en graden) komt niet alleen met de besluiten van God in strijd3, maar het doet ook te kort aan de persoon en het werk van Christus. Naarmate het bij de verwerving van de zaligheid de werkzaamheid van de mens uitbreidt, krimpt het die van Christus in. Het is toch duidelijk, dat, indien het geloof, de bekering, de volharding, voor het geheel of voor een deel in de macht van de mens staan en zijn werk zijn, indien de beslissing over het feitelijk zalig worden tenslotte, als het er op aankomt, in de handen van de mens ligt, dat dan Christus hoogtens alleen kan verworven hebben de mogelijkheid van het zalig worden. Hij heeft dan wel de gelegenheid geopend, om zalig te worden; maar of iemand of weinigen of velen of allen van die gelegenheid gebruik zullen maken en blijven maken, hangt tenslotte van de mensen zelf af. God liet hen vrij en legde de beslissing in hun handen. Dan volgt, dat Christus inderdaad lang niet alles heeft volbracht, maar dat het voornaamste, d.i. datgeen, wat over het werkelijk zalig worden beslist, nog door de mens geschieden moet. Christus daalt dus af van de enige plaats, die Hij in het werk van de zaligheid inneemt; Hij komt op één lijn te staan met al die profeten en leraars, door welke God de mensen onderwezen en opgevoed heeft; zijn werk wordt verwant aan en ingevoegd in al die praeparatoire en pedagogische werkzaamheden, welke God aan het menselijk geslacht ten koste heeft gelegd; het Evangelie van de genade is slechts gradueel van de lex naturae onderscheiden. En de mens zelf, schoon door al die opvoedende arbeid Gods geholpen en gesteund, wordt opgeroepen tot zelfwerkzaamheid4. Van hem hangt het af, of hij de gelegenheden, die God hem biedt, aangrijpen en zo de zaligheid deelachtig worden zal. De pelagiaanse voorstelling van de heilsorde wist het specifieke onderscheid tussen het Christendom en de heidense godsdiensten uit, vat ze alle samen in één proces en kan de Christelijke religie hoogstens eren als de eerste onder haar gelijken. Zij valt in het Heidendom terug en laat de zaligheid verwerven door de eigen wijsheid en kracht van de mens. En daarbij ondermijnt het dan ook de zekerheid van het geloof. Van de Heidenen getuigt Paulus, dat zij zonder Christus en daarom ook zonder God en zonder hoop zijn in de wereld, Ef. 2:12. Uit de werken van de wet is er geen rechtvaardiging, is er ook geen zekerheid van de zaligheid; naarmate iemand nauwkeuriger zichzelf en zijn goede werken onderzoekt, komt hij tot de treurige ontdekking, dat zelfs zijn beste werken onvolmaakt en met zonde bevlekt zijn; hij moet zich daarom met een beroep op Gods liefde, die het ontbrekende door de vingers ziet en de wil neemt voor de daad, of met een gezag van kerk en priester tevreden stellen en aan een valse gerustheid zich overgeven; zekerheid heeft en krijgt hij voor zichzelf nooit. Ja, omdat de genade, voorzover hem geschonken en nodig, niet alleen resistibel, maar ook altijd amissibel blijft, is hij ieder ogenblik aan het gevaar blootgesteld, om weer te verliezen wat hij heeft en uit te vallen van de hoop van de zaligheid. Er is op dit standpunt geen vaste gang, geen ontwikkeling van het Christelijk leven mogelijk. Zelfs is het heel onzeker, wat het resultaat van de wereldgeschiedenis zal zijn, of er een gemeente, een koninkrijk Gods zal komen; de regering van de wereld berust voor het voornaamste, dit is, voor de eeuwige eindbestemming in handen van de mens.

De dwalingen van dit rationalistisch nomisme springen duidelijk in het oog; maar zij zijn ook aanwezig, waar het zich hult in piëtistisch of methodistisch gewaad. Piëtisme en methodisme waren, evenals zovele andere pogingen tot reformatie van het leven in Protestantse kerken, tegenover de dode orthodoxie in hun recht. Zij bedoelden oorspronkelijk niets anders, dan de slapende Christenheid wakker te schudden, wilden geen verandering aanbrengen in de belijdenis van de Reformatie maar deze alleen toepassen in het leven. Doch uit verklaarbare reactie zijn zij in dit hun streven dikwijls te ver gegaan en tot een ander uiterste overgeslagen. Ook zij hebben het zwaartepunt allengs uit het objectieve in het subjectieve werk van de zaligheid verlegd. Daarbij is het dan in het wezen van de zaak onverschillig, of men de zaligheid afhankelijk maakt van geloof en gehoorzaamheid, dan wel van geloof en bevinding. In beide gevallen treedt de mens zelf op de voorgrond. Ook al loochenden piëtisme en methodisme de verwerving van de zaligheid door Christus niet, zij lieten deze toch ongebruikt staan en brachten ze met de toepassing in geen organisch verband. Het was, om zo te zeggen, een dood kapitaal. De ambtelijke werkzaamheid van de verhoogde Christus, de Heer uit de hemel, trad in de schaduw achter de ervaringen en bevindingen van het subject. In het piëtisme werd de mens in plaats van naar Christus, naar zichzelf verwezen; hij moest een lange weg afleggen, aan allerlei eisen en voorwaarden voldoen, aan vele en velerlei kentekenen zichzelf beproeven, eer hij geloven, Christus zich toeëigenen en van zijn zaligheid verzekerd mocht wezen. Het methodisme trachtte dit alles, bekering, geloof, verzekerdheid, wel samen te trekken in één ondeelbaar moment, maar het systematiseerde deze methode, schoon zeer verkort, op dezelfde wijze als het piëtisme. Bij beide is er een miskenning van de werkzaamheid van de Heilige Geest, van de voorbereiding van de genade, van het verband van schepping en herschepping. En daarom komt het ook in geen van beide tot een waarachtig Christelijk leven. Hetzij dit piëtistisch zich terugtrekt uit de wereld of naar methodistische trant ggressief in de wereld optreedt, het is altijd iets aparts, iets, dat dualistisch staat naast het natuurlijk leven, en dat daarom niet organisch inwerkt in gezin en maatschappij en staat, in wetenschap en kunst. Met of zonder de uniform van het leger des heils, Christenen zijn een bijzonder soort mensen, die niet in maar buiten de wereld leven. De reformatorische tegenstelling van zonde en genade heeft min of meer voor de Roomse tegenstelling van natuurlijk en bovennatuurlijk plaats gemaakt. Puritanisme is uitgeruild voor ascetisme. Het wezen van de heiligmaking ligt in onthouding van middelmatige dingen.

Aan de anderen kant staat het antinomisme (antinomianisme). Tegenover het nomisme verdedigt het een belangrijke waarheid, die wij, juist om het antinomisme te overwinnen, niet ten halve maar geheel en volkomen erkennen moeten. Het is waar, dat Christus alles volbracht heeft en dat de mens aan zijn offerande ter zaligheid niets toetevoegen heeft noch ook maar iets toebrengen kan. Maar het antinomisme (niet te verwarren met het antineonomianisme in Engeland en hier te lande) bedient zich van deze waarheid alleen, om aan een heel andere leer ingang te verschaffen. Want zeer zeker, Christus heeft alles volbracht. Maar wil dat zeggen, dat niet wij, maar dat ook Christus niets meer heeft te doen, nadat Hij geleden heeft en gestorven is? Immers neen, want Christus is ook opgewekt en verheerlijkt, Hij is door zijn opstanding aangesteld tot Vorst en Zaligmaker, tot Heer uit de hemel, tot levendmakende Geest. Voor Christus blijft er in de staat van de verhoging nog veel te doen over; Hij moet de zaligheid, welke Hij verwierf, ook toepassen en uitdelen aan zijn gemeente, en heeft daartoe zijn Geest uitgezonden, opdat die de hele gemeente zou wederbaren en in alle waarheid leiden. Het antinomisme miskent deze toepassing van het werk van de zaligheid; het loochent in beginsel de persoonlijkheid en werkzaamheid van de Heilige Geest. In de grond van de zaak komt het, naar de wet, dat twee uitersten elkaar raken, met het nomisme overeen. Maar juist, omdat het innerlijk gedreven wordt door een ander belang dan dat van de volmaakte offerande van Christus, schrijdt het nog verder voort en komt dan tot de ontkenning en bestrijding van de objectieve voldoening. Christus heeft nl. door zijn lijden en sterven niet de eeuwige zaligheid verworven, maar Hij heeft alleen Gods liefde bekend gemaakt; de verzoening en rechtvaardiging zijn van alle eeuwigheid. Evenals in het nomisme daalt Christus hier tot de rang van een profeet en leraar af. Maar terwijl het nomisme tot deze dwalingen komt door zijn deïstisch beginsel, komt het antinomisme principiëel op uit het pantheïsme. Het lijkt als twee druppels water op de filosofie van het Gnosticisme, van Spinoza en Hegel. God is wezenlijk één met de mens; Hij is van alle eeuwigheid verzoend; toorn en gerechtigheid zijn menselijke voorstellingen. Alleen voelt de mens zich door zijn eindigheid en beperktheid verre van God; hij denkt, dat God verre is van hem, dat Hij toornt over de zonde en voldoening eist. En dat is een verkeerde gedachte, welke de mens zich van God vormt. God is eeuwige liefde, eeuwig verzoend, eeuwig één met de mens. En heel de verlossing bestaat daarin, dat de mens door middel van de prediking van de profeten beter ingelicht en verlicht wordt, dat hij de waan aflegt van de toorn en de strafeisende gerechtigheid van God, dat hij God als zijn Vader, zichzelf als zijn kind erkent. Er is tot de verlossing niets anders nodig dan deze verlichting; daarin bestaat zij; zij omvat niets anders dan het geloof. Er is geen bekering, geen berouw, geen leedwezen over de zonden, geen angst voor de hel, geen vreese voor het oordeel, geen bede om vergeving, geen heiligmaking; dat zijn allemaal pelagiaanse dwalingen, die aan de objectieve feiten van Gods genade en verzoening te kort doen. Op laag, wettisch standpunt voelt men daaraan nog behoefte, evenals men dan de voldoening nog tot stand laat komen door Christus’ offerande en van Gods toorn en gerechtigheid spreekt. Maar dat zijn religieuze voorstellingen, symbolische inkleedingen, die voor het gemeen volk haar waarde hebben, doch die op het standpunt van de pneumatikoi, van de filosofen, plaats maken voor de zuivere idee en het adaequate begrip5. Evenals het nomisme eindigt ook het antinomisme met totale miskenning van het wezen van het Christendom, zinkt tot het Heidendom terug en stelt de verlossing van de zonde in rationalistische verlichting of moralistische verbetering van de mens. Beide loochenen, in ariaanse of in sabelliaanse vorm, de belijdenis van de triniteit.

1 Verg. Deel III; Hoofdstuk 8; Par. 49 De Heilsorde; 418.

2 Van Hartmann, Religionsphilos. I 569 v

3 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 33 De raad Gods; 234 v. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 33 De raad Gods; 242.

4 Uit Hebbels dagboek haalt A. Bertkolet, Aesthet. und Christl. Lebensauffassung. Tübingen 1910 bl. 30 deze plaats aan: Es gibt keinen Weg zur Gottheit als durch das Thun des Menschen. Durch die vorzüglichste Kraft, das hervorragendste Talent, was jedem verliehen wurde, hangt er mit dem Ewigen zusammen. Und soweit er dies Talent ausbildet, diese Kraft entwickelt, so weit nahert er sich seinem Schöpfer und tritt mit ihm in Verhältnis. Alle andere Religion ist Dunst und leerer Schein.

5 Verwante gedachten komen in de zogenaamde Christian Science voor, maar zo met andere verbonden en vermengd, dat er van eenheid en systeem bij Mrs. Mary Baker G. Eddy geen sprake is. Deze vier denkbeelden keren echter telkens terug: 1ø God, geest, ziel, verstand, het goede, waarheid, leven, liefde enz. zijn de enige realiteit, Science and Health with key to the Scriptures 155th ed. Boston 1898 bl. 7. 9. 2ø. Zonde, ziekte, dood, hebben geen realiteit, maar zijn dwalingen, en dwaling is a belief without understanding, onwaar, een illusie. Sin, sickness and death are to be classified as effects of error, bl. 468. 469. Sickness, as well as sin, involves weakness, temptation and fall (-) a loss of control over the body, bl. 405. 3ø. Zonde kan dus evenals ziekte overwonnen worden door de macht van de geest. Sin exists only so long as the material illusion remains, bl. 207. You can master sin through divine Mind, bl. 390. If you say: l am sick, you plead guilty, ib. The only safe course is to take antagonistic grounds against all that is opposed to the health and harmony of mind and body, bl. 390, 391. Resist evil, error or whatever sort, and it will flee from you, bl. 405. Christian science is the sovereign panacea, giving strength to the weakness of mortal mind, strength from the immortal and omnipotent Mind, bl. 405. 4ø. Vergeving van zonden is er daarom niet. Sin is forgiven only as it is destroyed by Christ, Truth and Love, bl. 311. The destruction of sin is the divine method of pardon, bl. 234. 345. Universal salvation rests on progression and probation and is unattainable without them, bl. 187.

x
This website is using cookies. Accept