Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

133. Al deze argumenten werden later in de Christelijke theologie overgenomen, maar veranderden daarbij dikwijls van plaats en karakter. De scholastiek ging uit van het geloof, maar kwam bij haar poging, om de waarheid van het geloof tot inhoud van de rede te maken, tot een scheiding tussen natuurlijke en bovennatuurlijke waarheden, die schadelijk werkte voor beide. Want de eerstgenoemde konden door de rede bewezen worden, maar de laatste konden alleen op gezag worden aangenomen. Daar was dus echte wetenschap mogelijk; hier was er alleen plaats voor het geloof. De gang werd dus deze, dat eerst op wetenschappelijke gronden de waarheid van de veritates naturales werd betoogd; dat daarna voor de rede de mogelijkheid, noodzakelijkheid en werkelijkheid van de bijzondere openbaring in het licht werd gesteld; en dat er eindelijk bij diezelfde rede, daar de redelijkheid van het geloven gebleken was, op aangedrongen werd, om nu ook op grond van het uitwendige feit van de openbaring haar inhoud blindelings in het geloof aan te nemen. Uit het voorhof van de strikt bewijsbare waarheden ging men dus door het heilige van de redebewijzen voor een bijzondere openbaring in het heiligdom van de absoluut bovennatuurlijke mysteries binnen. De motieven, die voor het geloof aan een bijzondere openbaring konden worden bijgebracht, werden onder de naam van rationes inductivae of motiva credibilitatis samengevat1. Na de Hervorming werd vooral het argument, ontleend aan de kerk, nader ontwikkeld. De kerk werd toen bij Rome hoe langer hoe meer fundamentum et regula fidei. Augustinus had al gezegd, dat hij door de kerk bewogen werd, om aan de Schrift te geloven. De Roomsen na de Hervorming maakten de kerk tot de sterkste grond voor het geloof aan de Schrift, aan de openbaring. De motiva credibilitatis werden dikwijls in drie soorten verdeeld2; in zulke, die gelden tegenover Joden en Heidenen; in andere, die vooral voor de Roomsen zelf betekenis hebben; en in een derde groep, die tegenover de ketters van kracht zijn. Tot deze laatste behoort nu vooral de kerk met haar 15 notae, gelijk ze door Bellarminus werden opgeteld3. Wat de Hervormers van de Schrift zeiden, wordt op de kerk toegepast. Zij is als de zon, die haar stralen verspreidt en gemakkelijk bij haar eigen licht kan worden gekend. Onder de bewijzen voor de openbaring neemt de kerk de eerste en de hoogste plaats in; zij is van alle het krachtigste motief tot geloof. Het Conc. Vatic., sess. III cap. 3 de fide, verklaarde: ad solam enim catholicam Ecclesiam ea pertinent omnia, quae ad evidentem fidei christianae credibilitatem tam multa et tam mira divinitus sunt disposita. Quin etiam Ecclesia per se ipsa, ob suam nempe admirabilem propagationem, eximiam sanctitatem et inexhaustam in omnibus bonis foecunditatem, ob catholicam unitatem invictamque stabilitatem, magnum quoddam et perpetuum est motivum credibilitatis et divinae suae legationis testimonium irrefragabile. De waarde van al deze bewijzen, ook van dat van de kerk, bestaat daarin, dat zij de geloofwaardigheid van de openbaring kunnen aantonen. Zij zijn in staat, om een fides humana voort te brengen en de redelijkheid van het geloven te bewijzen. Zij maken de waarheid van de openbaring in zulk een mate en tot zulk een hoogte duidelijk, dat alle redelijke twijfel is uitgesloten. Als er van de zijde van de mens geen zondige zelfzucht en geen vijandschap van het hart in het spel kwam, dan zouden die motieven krachtig genoeg zijn, om tot het geloof aan de openbaring te bewegen. Zij maken de openbaring wel niet evidenter veram, want als dat het geval was, dan zou er geen geloof meer nodig zijn en zou het geloof ook alle verdienste missen, maar toch wel evidenter credibilem4.De Roomse theologen nemen dan ook gewoonlijk al die argumenten van de apologetiek in de dogmatiek op en behandelen ze breedvoerig5. Zelfs gingen sommigen zover, dat zij deze bewijzen ook voor de ongelovige voldoende achtten6. Maar de meesten erkenden, dat al deze bewijzen toch maar motieven waren en dat zij niet de laatste en diepste grond van het geloof uitmaakten. Dat kon alleen de autoriteit van God zijn7. En dat geloof aan de openbaring op grond van Gods gezag komt niet tot stand door die bewijzen maar door een auxilium dei, een instinctus interior, die de wil tot het geloof beweegt8. Het Conc. Vatic., sess. III cap. 3 de fide, erkende ook enerzijds, dat het geloof was een virtus supernaturalis, qua Dei aspirante et adjuvante gratia ab eo revelata vera esse credimus, non propter intrinsecam rerum veritatem natnrali rationis lumine perspectam, sed propter auctoritatem ipsius Dei revelantis. Maar anderzijds hechtte het toch grote waarde aan de apologetische argumenten en voegde er daarom dadelijk bij: ut nihilominus fidei nostrae obsequium rationi consentancum esset, voluit Deus cum internis Spiritus Sancti auxiliis externa jungi revelationis suae argumenta..... quae.....divinae revelationis signa sunt certissima et omnium intelligentiae accommodata. Het veroordeelde zelfs in canon 3, 3 degene, die zei, revelationem divinam externis signis credibilem fieri non posse, ideoque sola interna cujusque experientia aut inspiratione privata homines ad fidem moveri debere. Deze waardering van de apologetiek hangt bij Rome weer met geheel het stelsel samen. De bovennatuurlijke openbaring is opgetrokken op de grondslag van de natuurlijke. Gene wordt alleen successief en bij trappen bereikt. De mens in puris naturalibus komt eerst door bewijzen tot de theologia naturalis. Deze is praeambula fidei. Hier is zelfs wetenschap mogelijk. De bewijzen zijn overtuigend. Op zichzelf is hier nog van geen geloof sprake. Wie zover gekomen is en op de grondslag van de theol. naturalis staat, kan nu verder door de motiva credibilitatis, vooral door de signa en notae ecclesiae, de geloofwaardigheid van de openbaring inzien, en de redelijkheid van het geloven erkennen. En als zo de fides humana verkregen is, en de mens door de actus praepatorii zich voorbereid heeft, wordt hij door de gratia infusa zelf in de bovennatuurlijke orde opgenomen en bereidt hij zich door goede werken weer voor voor de hemel, voor de visio Dei. De mens gaat uit de natuurstaat bij trappen naar boven. Telkens komt hij een graad hoger te staan. De pura naturalia, theol. naturalis, motiva credibilitatis, actus praeparatorii, gratia infusa, bona opera, visio Dei vormen de verschillende treden van de ladder, die staat op de aarde en reikt in de hemel.

De Reformatie heeft nu wel in beginsel deze hierachie van Rome bestreden en een ander standpunt ingenomen. Zij nam haar positie niet in de natuurlijke rede, om deze successief tot het geloof op te leiden, maar in het Christelijk geloof. En zij sprak zo beslist mogelijk uit, gelijk later zal worden aangetoond, dat dat geloof alleen steunde op Gods gezag en alleen gewerkt werd door de Heilige Geest. Maar de Protestantse theologen hebben dit beginsel toch niet altijd streng vastgehouden en zijn meermalen tot de leer van de theologia naturalis en van de historische bewijzen voor de waarheid van de openbaring terruggekeerd. Calvijn zegt, dat het hem gemakkelijk vallen zou, de goddelijkheid van de Heilige Schrift te bewijzen en voert verschillende gronden daarvoor aan9. En zo spreken en doen ook vele andere theologen10. De overtuiging, dat deze bewijzen genoegzaam waren om althans een fides humana te bewerken, heeft er onwillekeurig toe bijgedragen, om de rede te emanciperen van het geloof en de dogmata van de theol. naturalis en van de Heilige Schrift buiten de fides salvifica te plaatsen. Daarmee begon dan ook het rationalisme in de Protestantse kerken. Het Socinianisme verwierp het testimonium Spiritus Sancti en grondde de waarheid van het Christendom op historische bewijzen11. Het Remonstrantisme ging dezelfde weg op12. Door Cartesius drong het rationalisme ook in de Gereformeerde kerken door. De theologia natur, alis kwam zelfstandig naast de theologia revelata te staan. En binnen deze laatste werd aan de rede het recht tot onderzoek en verklaring van de geloofsbrieven van de openbaring toegekend. Leibniz sprak de algemeen heersende opinie uit, als hij de openbaring tegenover de rede stelde, zoals een buitengewoon gezant tegenover een bevoegde vergadering staat. Deze onderzoekt zijn geloofsbrieven en gaat, als zij deze echt bevonden heeft, eerbiedig naar hem luisteren13. Het deïsme in Engeland en het rationalisme in Duitsland leidde daaruit weldra af, dat de theologia naturalis volkomen voldoende was. En het supranaturalisme, dat de emancipatie van de rede in de theol. naturalis en in het onderzoek naar de waarheid van de openbaring toegaf, kon voor die rede met geen andere dan historische en rationele bewijzen verschijnen. Op die wijze werd het Christendom verdedigd en de dogmatiek bewerkt door een aantal mannen in Engeland, Duitsland, Nederland, zoals Butler, Paley, Chalmers14; Reinhard, Morus, Doederlein, Knapp, Storr e.a.; van Nuijs Klinkenberg, Muntinghe, Heringa, Vinke enz., en door de auteurs van de werken van het Haagsch Genootschap. Later vinden wij dit standpunt nog ingenomen door Pareau en Hofstede de Groot15, door Van Oosterzee, die eerst Schleiermacher volgde, maar later heil zocht in een apologetiek, welke aan de dogmatiek voorafging16, door Doedes, die in de weg van onbevooroordeeld, zuiver historisch onderzoek het Christendom wilde leren kennen17; in het buitenland o.a. door Voigt, König, A. B. Bruce, Pheeters, Grétillat18, en vele apologetische schrijvers19. Uit de jongste tijd kunnen tot deze richting ook gerekend worden de voorstanders van de religionsgeschichtliche methode in de theologie, zoals Troeltsch, en de verdedigers van een finale scheiding tussen een gelovig-kerkelijke en een exact-wetenschappelijke theologie, zoals Lagarde, Overbeck ea.20. Want ook zij emanciperen de theologie geheel of gedeeltelijk van het geloof en trachten tot de kennis van het Christendom te komen in de weg van een objectief, historisch-kritisch onderzoek.

1 Thomas, S. Theol. II 2 qu. 2 art. 9 ad 3. art. 10. Duns Scotus, Prol. Sentent. qu. 2. Ludovicus Vives, de veritate fidei christ. 1543. Verg. Frohschammer, Die Philosophie des Thomas v. Aquino. Leipzig 1889 bl. 130 v.

2 Becanus, Theol. Schol. Tom. II pars II tract. 1 cap. 6. Mogunt.1623 bl.93.

3 Bellarminus, de Conciliis et Ecclesia, 1. IV.

4 Thomas, S. Theol. II 2 qu. 1 art. 4 ad 2, 4. art. 5 ad 2. qu. 2 art. 1 ad 1. Bellarminus, de Conc. et Eccl. IV cap. 3. Billuart, Summa S. Thornae hodiernis acad. moribus accommodata VIII bl. 25 v. P. Dens, Theologia ad usum seminariorum II 275 v.

5 Perrone, Prae. Theol. I. Jansen, Prael. Theol. I 117 v. Hake, Handbuch der allgem. Religionswissenschaft. Freiburg 1887 II 1 v. Heinrich, Dogm. I 279 v. Liebermann, Dogm. I bl. 33 v. enz.

6 Billuart, t.a.p. I bl. 28, 29. Dens, t.a.p. II 292.

7 Thomas, S. Theol. II 2 qu. 2 art. 1 ad 3 en art. 10. S. c. Gent. Ic. 9. Billuart, t.a.p. VIII bl. 1 v. Becanus ib. bl. 3-17. Dens, t.a.p. II 280 v. Jansen, Prael. Theol. I 701-706.

8 Thomas, II 1 qu 109 art. 6. qu. 112 art. 2 en 3. qu. 113 art. 4.

9 Calvijn, Instit. rel. christ. I 7, 4. 8.

10 Ursinus, Tract. Theol. hl. 1-33. Zanchius, Op. VIII col. 335 v. Polanus, Synt. Theol. Ic. 17 v. c. 27, 28. Synopsis pur. theol. disp. 2, 10 v. Du Plessis-Mornay, Traité de la vérité de la religion chrétienne contre les Athées etc. Anvers 1581. Abbadie, Traité de la vérité de la religion chrét. 1684 enz. Verg. Heppe, Dogm. der ev. ref. K. bl. 20-22. Hase, Hutt. Rediv. par. 37. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. bl. 32. 33.

11 Catech. Racov. qu. 5-30. Fock, der Socin. 338 v.

12 Episcopius, Instit. Theol. Lib. IV cap. 2. Limborch, Theol. Christ. Ic. 4. Id. De veritate relig. Christ. collatio cum erudito Iudaeo 1687. Hugo Grotius, de veritate relig. christ. 1627. Verg. Wijnmalen, Hugo de Groot als verdediger van het Christ. Utrecht 1869.

13 Leibniz, Discours sur la conformité de la foi avec la raison par. 29

14 Butler, The analogy of religion, natural and revealed 1736. Paley, View of the evidences of Christianity 1794. Id. Natural Theology 1802. Chalmers, The evidence and authority of the Christ. revelation 1817. Id. Natural Theology 1823. Verg. Tholuck, Verm. Schriften I 163-224.

15 Compendium Dogm. et. Apol. Christ3. 1848 bl. 179 v.

16 Jaarb.v. wet. Theol. 1845 bl. 1-74. 1851 bl. 406. De Leer der Herv.Kerk van J. H. Scholten beschouwd 1851 bl. 51. 53. Christ. Dogm. par. 30-34. 38.

17 Het recht des Christ. tegenover de wijsbeg. gehandhaafd 1847. Modern of Apost. Christ. 1860. De zogen. moderne Theol. enigszins toegelicht 1862.

18 Voigt, Fundamentaldogm. bl. 184 v. 232 v. König, Der Glaubensact des Christen. Erlangen 1891 bl. 143 v. Bruce, Apologetics. Edinburgh 1892 bl. 42. W. M. Mc. Pheeters, Apostolical sanction the test of canonicity, Presb. and. Ref. Rev. Jan. 1895. Grétillat, Exposé de théol. system. II 176 v.

19 Verg. Art. Apologetik van Lemme in PRE3 I679-698.

20 Verg. boven bl. 30. 52-60. 167-172.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 1. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1906. (revised) [450]
x
This website is using cookies. Accept