Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

532. Een vaststaande leer over en een algemeen geldende ritus bij de doop wordt in de oude Christelijke kerk nog niet aangetroffen. Maar toch kent de Didache reeds de trinitarische formule, terwijl Hermas nog spreekt van een doop in de naam van de Heere, of hem een zegel noemt van de Zone Gods, dat het leven geeft. Omdat de doop de inlijving in de gemeente is, geeft hij deel aan al haar heilsgoederen, inzonderheid aan de vergeving van de verleden zonden en aan een nieuw, bovennatuurlijk, eeuwig leven door de Heilige Geest1. Hoewel duidelijk gezegd wordt, dat het water in de doop zijn natuur behoudt, wordt de verbinding van teken en betekende zaak dikwijls op mystische wijze uitgedrukt; ei tiv estin en tw idati cariv, oik ek thv fusewv esti tou udatov, all ek thv tou pneumatov parousiav2. di ekeinou tou udatov h yeia cariv thn aiwnion dwreitai zwhn3. De doop wordt daarom ook met allerlei aan de mysteriën ontleende namen aangeduid, fwtismov, musthrion, teleth, teleiwsiv, muhsiv, mustagwgia, en beschouwd als ochma prov ouranon, ochma prov yeon, kleiv oiranwn basileiav4. En toen sedert de tweede eeuw de godsdienstoefening uiteenviel in een openbaar en bijzonder deel, nam de bediening van doop en avondmaal hoe langer hoe meer een mysterieus karakter aan. Door het catechumenaat voorafgegaan, werd de doop zelf met allerlei symbolische handelingen omringd, zoals de presentatie van de dopeling door peetouders, het afleggen van belijdenis, het blazen op het aangezicht en de tekening met het kruis, het leggen van gewijd zout in de mond van de dopeling, het exorcisme, de driemaal herhaalde indompeling of hesprenging, de zalving met het chrisma, het geven van een nieuwe naam, de omhanging met een wit kleed, de overreiking van een brandende kaars, de opname in de gemeente, de broederkus, en soms daarna terstond de viering van het avondmaal5. Terwijl dus in de apostolische tijd de doop terstond op de bekering volgde en op de eenvoudigste wijze bediend werd, Hd. 2:38, 41; 8:12, 36; 10:47 enz., werd hij van de tweede eeuw af in een altijd meer zich uitbreidend ritueel gehuld en in een min of meer magisch werkend genademiddel veranderd. Zelfs Augustinus bevorderde de ontwikkeling van de leer van de doop in deze geest, al is het ook, dat hij bij volwassenen voor een heilzame werking van de doop voorafgaand geloof en bekering vereiste. Want ten eerste zegt hij, dat de doop de vergeving van de zonden en de wedergeboorte slechts geeft binnen de kerk; het sacrament is een sacrament van Christus en door Hem aan zijn kerk gegeven; ketters en scheurmakers kunnen het wel meenemen buiten de kerk, maar dan is het een gestolen en wederrechtelijk bezeten goed en oefent daarom geen heilzame werking uit, maar strekt ad perniciem6. Ten tweede schijnt hij bij kinderen een heilzame werking van de doop ex opere operato te leren; ongedoopt stervende kinderen gaan verloren7, maar bij hen, die gedoopt worden, vervangt de doop zelf of de voorbede van de kerk of het geloof van de ouders het geloof, dat zij zelf nog niet oefenen kunnen8. En ten derde schrijft Augustinus aan de doop in elk geval de werking van een character in delebilis toe, waardoor de gedoopten rechtens Christus en zijn kerk toebehoren en desnoods met dwang onder haar hoede mogen worden teruggebracht9.

De scholastiek bleef eerst nog wel bij Augustinus staan en erkende, dat de doop bij volwassenen het geloof onderstelde en ook niet volstrekt ter zaligheid noodzakelijk was. Maar zij bewoog zich toch hoe langer hoe meer in deze richting, dat zij het sacrament ex opere operato liet werken, en de subjectieve vereisten steeds meer aan betekenis verliezen deed10. Zo werd de leer van de doop bij Rome voorbereid, die in het kort hierop neerkomt: de doop is het eerste sacrament, de deur tot het geestelijk leven, de ingang tot de kerk; hij geeft de eerste bovennatuurlijke genade, die door de andere sacramenten ondersteld en vermeerderd wordt en is daarom ter zaligheid volstrekt noodzakelijk, behalve in enkele gevallen, waarin hij door een baptismus sanguinis of flaminis (voti) vervangen kan worden. Hij moet daarom ook zo spoedig mogelijk en in geval van nood door leken of niet-Christenen bediend worden. Door die doop toch worden meegedeeld:

1. het character indelebilis, dat iemand onder de jurisdictie van de kerk brengt,

2. de vergiffenis van alle zonden, zowel erf-, als dadelijke zonden, die vóór de doop zijn bedreven en kwijtschelding van alle eeuwige en ook van alle tijdelijke straffen, voorzover zij opera satisfactionis, maar niet, voorzover zij natuurlijke straffen van de zonden zijn,

3. de geestelijke vernieuwing en heiliging van de mens, door de instorting van de heiligmakende genade en de bovennatuurlijke deugden van geloof, hoop en liefde, zodat de smet van de erfzonde geheel wordt te niet gedaan en slechts de van nature aan de mens als fysiek wezen eigen concupiscentia overblijft, die echter zelf geen zonde is, maar wel aanleiding tot zondigen worden kan,

4. de inlijving in de gemeenschap van de heiligen en in de zichtbare kerk van de gelovigen. Deze werkingen oefent de doop daardoor uit, dat onder het uitspreken van de bekende formule het woord van God of de kracht van de Heilige Geeste zich op geheimvolle wijze met het water verbindt en dit tot een aqua viva et efficax, tot een uterus maternus van de nieuwe mens maakt. Feitelijk worden dan ook door het sacrament van de doop wedergeboren niet alleen alle kinderen, maar ook alle volwassenen, die aan de zeven praeparationes hebben voldaan en geen ob ex in de weg stellen11.

1 Justinus, Apol. I 61. Tertullianus, de baptismo 4, 5. Cyprianus, de grat. 3, 4. Gregorius Naz., 40, 3 v.

2 Basilius, de Spiritu sancto c 15.

3 Theodoretus, qu. 26 in Gen., bij Suicerus s. v. baptisma. Verg. Tertullianus, de bapt. 4.

4 Schwane, D. G. II 735. Hatch, Griech. u. Christ. bl. 219 Suicerus, s. v. Kattenbusch, PRE3 XIX 403, maakt echter de juiste opmerking: Natürlich bedeutet das nun micht, das die besonderen Ideen, unter denen man in den Mysterien von dem Einweihungsritus als Versiegelung oder Erleuchtung redete, auf die Taufe oder den Akt der Aufnahme in die ekklhsia übertragen worden wären. De naam van zegel bijv. was reeds bij de Joden voor de besnijdenis in gebruik cf. Rom. 4:11.

5 Suicerus, s. v. Moeller-von Schubert, Kirchengesch. I2 339. Verg. Catech. Rom. II 2 qu, 45 v. Bellarminus, de bapt. c. 24-27, en vooral het art, van Drews, PRE3 XIX 424-450.

6 Augustinus, de unit. eccl. 68. de bapt. 3, 13, 5, 7 v.

7 de anima I 9. III 12. de pecc. mer. I 20. de nat. et gr. 8.

8 de pecc. mer. I 19, 34 v.

9 de bapt. V. 21. VI 1. c. epist. Parm. II 16. Verg. Dorner, Augustinus bl. 248 v. Schwane, D. G. II 744 v. Harnack, D. G. II 143 v. Kattenbusch, PRE3 XIX 408-411.

10 Lombardus, Sent. IV dist. 3-6. Thomas, S Theol. III qu. 66-71. Bonaventura, Brevil. VI 7. Verg. Schwane, D. G. III 605-622. Harnack, D. G. III 478 v.

11 Conc. Flor. bij Denzinger, n. 591. Trid. VI 4. VII de bapt. XIV de poenit. 2. Cat. Rom. II 2. Bellarminus, de sacr. bapt. c. 1-27. Oswald, Die dogm. Lehre v.d. h. Sakr. I2 141 v. enz., en voor de leer van de Griekse kerk, Damascenus, de fide orthod. IV 14. Conf. orth. qu, 102, 103. Conf. Dosith. decr. 16. Kattenbusch, Vergl. Conf. I 400 v.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept