Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

569. Nu is het zeer bevreemdend, dat deze laatste overwinning over Satan in twee tempo’s geschiedt. Eerst wordt hij voor duizend jaren gebonden en in de afgrond geworpen, en daarna verleidt hij opnieuw de volken, voert krijg tegen de gemeente en wordt dan voorgoed overwonnen en geworpen in de poel van vuur en sulfer, Op. 20:1-10. De voorstanders van het Chiliasme vinden, behalve in het Oude Testament, in deze pericoop hun sterkste steun en de tegenstanders zijn er niet in geringe mate verlegen mee en hebben er al hun exegetische kunst aan beproefd. De gedachte, dat er na de overwinning van het wereldrijk nog een laatste aanval van de volken moest afgeslagen worden, is ongetwijfeld door Johannes aan Ezechiël ontleend. Deze profeet verwacht, dat Israël, nadat het in zijn land zal zijn weergekeerd en daar zeker wonen zal, nog eenmaal aangevallen zal worden door Gog van het land Magog, vorst van Rosch, Meschech en Tubal, dat is door het volk van de Scythen, in verbinding met allerlei andere volken uit het noorden, oosten en zuiden. De aanval eindigt echter daarmee, dat God zelf deze volken op de bergen van Israël in zijn toorn verdelgen zal, c. 38 en 39. In hoofdst. Ezech. 38:17 zegt de Heere, dat Hij van die volken reeds vroeger door de dienst van zijn profeten gesproken heeft. En inderdaad verkondigden reeds vroegere profeten, dat niet alleen die historische volken, in het midden waarvan Israël leefde en met wie het in aanraking kwam, maar ook alle veraf wonende Heidenen door de Heere in zijn dag gericht zouden worden, Joël 2:32; 3:2, 11 v., Mich. 4:5,11; 5:6-8 [Micha 5:7-9]; Jes. 25:5-8; 26:21; Jer. 12:14-16; 30:23-24. Zeer duidelijk komt soortgelijke profetie bij Zacharia voor, die in hoofdst. 12-14 schetst, hoe tegen de dag des Heeren Jeruzalem door de volken belegerd, en deze dan door de Heere gericht zullen worden. En Daniël ziet niet alleen in Antiochus Epiphanes de belichaming van het Gode vijandige wereldrijk, maar verwacht ook, dat deze Gode vijandige macht nog eenmaal zich verheffen en zo voor het gericht rijp worden zal, Dan. 11:40v. Tweeërlei was dus de verwachting van de profetie, eerst van een overwinning van het volk van God over de volken, in het midden waarvan het woonde, en daarna van een zegepraal over de volken, die tot dusver nog niet verschenen waren op het toneel van de wereldgeschiedenis. Deze dubbele verwachting ging over in de apocriefe literatuur1, en ook in het Nieuwe Testament. Natuurlijk staat de eerste verwachting op de voorgrond. De verschijning van Christus roept het antichristelijk beginsel wakker. Jezus spreekt van qeudoprofhtai en qeudocistoi, die zich stellen zullen tegenover Hem en zijn rijk, Mt. 7:15; 24:5, 24; Mk.13:21-22; Luk. 17:23. Om het ongeduld van de Thessalonicensen bij hun verwachting van Jezus’ spoedige wederkomst te temperen, wijst Paulus er in 2 Thess. 2 op, dat die dag van Christus niet aanbreekt, tenzij eerst komt de apostasie en geopenbaard wordt de mens der zonde. Deze kan nu nog niet komen, omdat er iets is, wat hem weerhoudt. Wel is thans ook reeds werkzaam to musthrion thv anomiav, maar toch kan de mens der zonde niet komen, voordat hij, die hem weerhoudt, uit het midden weggedaan is. Daarna eerst zal de anomov geopenbaard, maar ook dadelijk door Jezus teniet gedaan worden. De Apocalypse ziet de antichristelijke macht belichaamd in het beest uit de zee, dat is, het Romeinse rijk, hetwelk de stad Rome tot centrum en een bepaalde keizer tot hoofd heeft, en daarbenevens in het beest van de aarde, dat is, de valse profetie, welke tot huldiging van het wereldrijk en zijn keizer verleidt. Dezen tegenstander van Christus noemt Johannes in zijn brieven dan het eerst met de naam van anticristov, in 1 Joh. 2:18, waarschijnlijk zelfs zonder artikel; en hij ziet zijn wezen gerealiseerd in hen, die de komst van Christus in het vlees principiëel loochenen,1 Joh. 2:22; 4:2-3; 2 Joh. 7. De voorstellingen van de antichrist zijn in de Schrift dus verschillend. Daniël ziet zijn type in Antiochus Epiphanes; Jezus maakt het antichristelijk beginsel los uit de Oudtestamentische tegenstelling van Israël en de volken en ziet het belichaamd in vele valse Christussen en vele valse profeten, die opstaan zullen na en tegen Hem; Paulus laat de mens van de zonde opkomen uit een algemene apostasie en noemt hem de anomov en de antikeimenov, nl. van Christus, maar tekent hem ook, met trekken aan Daniël ontleend, als degene, die zich verheft boven alles, wat God heet en wat door mensen vereerd wordt, zodat hij in Gods tempel als een God zich neerzet en als een God zich vertoont. Johannes in zijn brieven acht de antichrist gekomen in de ketters van zijn dagen. En de Apocalypse ziet zijn macht zich ontwikkelen in het wereldrijk, dat door de valse profetie wordt gesteund. Daaruit blijkt, dat bij de antichrist niet uitsluitend aan één persoon of aan een groep van personen, bijv. de ketters van de eerste eeuwen, het Romeinse rijk, Nero, de Joden, Mohammed, de paus, Napoleon enz., gedacht moet worden. De Schrift leert duidelijk, dat de antichristelijke macht haar geschiedenis heeft, in verschillende tijden op verschillende wijzen zich openbaart en tenslotte zich volledig ontwikkelt in een algemene afval en verbreking van alle natuurlijke en zedelijke banden, die thans nog zulk een apostasie tegenhouden, en zich dan belichaamt in een wereldrijk, dat de valse kerk in dienst neemt en in de vergoding van het hoofd van dat rijk zichzelf apotheoseert. Aan deze antichristelijke macht in haar hoogste en laatste ontwikkeling, maakt dan Christus zelf door zijn verschijning een einde2.

Maar daarmee is nog niet de volledige overwinning behaald. Het antichristelijk beginsel kan uiteraard alleen optreden onder die naties, die het Evangelie gekend en tenslotte in bewuste en opzettelijke vijandschap verworpen hebben. Maar er zijn altijd geweest, er zijn nog en er zullen tot het einde van de dagen volken zijn, die, als afgesneden takken, buiten de geschiedenis en de cultuur der mensheid staan. Wel zegt Jezus, Mt. 24:14, dat het einde eerst komt, nadat het Evangelie in heel de bewoonde wereld gepredikt is tot een getuigenis allen volken. Maar deze profetie sluit toch niet in, dat het Christendom eens onder alle volken de heersende godsdienst zal zijn, of dat het aan ieder mens, hoofd voor hoord, bekend zal wezen; want de historie leert, dat miljoenen mensen en tal van volken, ook in de eeuwen na Christus’ komst op aarde, weggestorven zijn, zonder enige kennis van het Evangelie te hebben gehad. Maar Jezus’ woord houdt alleen in, dat de prediking van het Evangelie tot alle volken doordringen zal en bepaalt geenszins nauwkeurig de mate, waarin, noch de grens, tot welke dit geschieden zal. De profetie vervult zich ook niet ineens, maar successief door de loop van de eeuwen heen, zodat vele volken, die eertijds in het licht van het Evangelie wandelden, later daarvan weer beroofd zijn geworden. Terwijl in deze eeuw het Evangelie onder de Heidenen zich verbreidt, neemt onder de Christenvolken de afval hand over hand toe. En daarom is het meer dan waarschijnlijk dat tegen de tijd van de parousie weer vele volken op aarde van de kennis van Christus verstoken zullen zijn. En met dit feit rekent het twintigste hoofdstuk van Johannes’ Openbaring. Omdat daar sprake is van een duizendjarige binding van Satan en van een gedurende die tijd leven en heersen van de martelaren met Christus, hebben velen gemeend, dat hier klaar en onwedersprekelijk het zogenaamde duizendjarig rijk werd geleerd. Maar feitelijk is dit een verklaren van Op. 20, niet naar de analogie van de Schrift, maar naar de analogie van de apocriefe literatuur. Op. 20 bevat op zichzelf niets van al wat tot het wezen van het chiliastisch geloof behoort.

Immers, 1. er wordt met geen enkel woord melding gemaakt van een bekering en een terugkeer van de Joden, van een herbouw van de stad Jeruzalem, van een herstel van tempel en eredienst, van een aanvankelijke vernieuwing van de aarde. Veeleer is dit alles buitengesloten. Want ook al zouden de 144000 in hoofdst. 7 van het pleroma uit Israël te verstaan en van die in Op. 14:1 onderscheiden zijn, dan was daarmee toch niets anders en niets meer bedoeld, dan dat ook vele Christenen uit de Joden in de grote verdrukking staande zullen blijven en onder de schare voor Gods troon een eigen plaats zullen innemen; maar er wordt volstrekt niet gezegd, dat zij opstaan en in Jeruzalem wonen zullen. De Christenen zijn de echte Joden, en de Joden, die zichverharden in hun ongeloof, zijn een synagoge van de Satan, Op. 2:9. Al heet misschien het aardse Jeruzalem nog een enkele maal de heilige stad en de tempel aldaar de tempel van God, Op. 11:1-2, toch wordt dat Jeruzalem in geestelijke zin Sodom en Egypte genoemd, Op. 11:8; het echte Jeruzalem is boven, Op. 3:12; 21:2, 10, en daar is ook de tempel van God, Op. 3:12; 7:15; 11:19 enz., en de ark, Op. 11:16, en het altaar, Op. 6:9; 8:3, 5; 9:13; 14:18,16:7. En dat Jeruzalem daalt niet reeds in Op. 20, maar eerst in Op. 21 op aarde neer. 2. Het leven en heersen van de in de grote verdrukking trouw gebleven gelovigen heeft niet op aarde, maar in de hemel plaats. Van de aarde is met geen woord sprake. Johannes ziet de engel, die Satan bindt, uit de hemel opkomen, Op. 20:1; de tronen, die hij aanschouwt, Op. 20:4, bevinden zich in de hemel, Op. 4:4; 11:16; en de zielen van de martelaren worden door Johannes hier, Op. 20:4, evenals overal elders in de hemel gezien,Op. 6:9; 7:9,14,15; 11:12; 14:1-5; 18:20; 19:1-8. De gelovigen zijn reeds op aarde door Christus Gode tot koningen en priesters gemaakt. Op. 1:6; zij zijn dit in de hemel, Op. 5:10, en verwachten, dat zij het eenmaal ook op aarde zullen zijn, Op. 5:10, maar deze verwachting wordt eerst in het nieuwe Jeruzalem, dat van boven neerdaalt, vervuld; dan zullen zij koningen zijn in eeuwigheid, Op. 22:5. Thans echter, in de hemel, is hun koningschap tijdelijk, het duurt duizend jaren. 3. Ook weet Johannes niet van een eerste lichamelijke opstanding, die aan het duizendjarig rijk vooraf zou gaan, en een tweede, die daarop volgen zou. Nergens wordt in de Schrift zulk een eerste opstanding geleerd. Wel is er sprake van een geestelijke opstanding uit de zonde, Joh. 4:25-26; Rom. 6:4 enz. Ook is er een anastasiv ek nekrwn, die op enkele gevallen ziet, zoals de opstanding van Christus, 1 Petr.1:3, cf. Hd. 26:23,1 Cor. 15:23, of alleen op de gelovigen betrekking heeft, Luk. 20:35-36; Hd. 4:2, maar in dit geval volstrekt niet temporeel door een duizendjarig rijk van de algemene anastasiv nekrwn onderscheiden is, Mt. 22:31; Joh. 5:28,29; Hd. 24:15; 1 Cor. 15:13,42., Wel heeft men dit in 1 Cor. 15:20-28 en 1 Thess. 4:13-18, menen te vinden, maar ten onrechte. In 1 Cor. 15:20-28, handelt Paulus zeer zeker alleen van de opstanding van de gelovigen, terwijl hij van die van de goddelozen hier in het geheel niet spreekt en niet behoeft te spreken; maar van die opstanding van de gelovigen zegt hij duidelijk, dat zij plaats hebben zal bij de parousie van Christus en dat daarna het einde zal zijn, waarin Hij het koninkrijk de Vader overgeeft, vs. 23, 24. Men zou uit deze plaats op zichzelf wel kunnen afleiden, dat er geen opstanding van de goddelozen volgens Paulus is, maar onmogelijk, dat deze door een duizendjarig rijk van die van de gelovigen gescheiden is. Want op de opstanding van de gelovigen volgt terstond het einde en de overgave van het koninkrijk, omdat alle vijanden overwonnen zijn, en de laatste vijand, dat is de dood, te niet gedaan is. Evenmin staat er iets van zulk een eerste, lichamelijke opstanding van de gelovigen in 1 Thess. 4:13-18. In Thessalonica maakte men zich ongerust over het lot van degenen, die in Christus gestorven waren. Van welke aard die ongerustheid was, weten wij niet. De chiliasten menen, dat de Thessalonicensen niet twijfelden aan de opstanding en het eeuwig leven van de in Christus ontslapenen, maar dat zij aan twee opstandingen geloofden, een vóór en een na het duizendjarig rijk, en nu bezorgd waren, dat de reeds gestorven gelovigen eerst bij de tweede opstanding zouden opstaan en dus geen deel zouden hebben aan de heerlijkheid van het duizendjarig rijk. Maar deze mening is ver gezocht en vindt hoegenaamd geen steun in de tekst; indien er een eerste opstanding van de gelovigen was, zou men juist verwachten, dat de gemeente in Thessalonica zich niet bezorgd maakte over het lot van de gestorvenen, want dezen zouden dan immers juist in het voorrecht van die eerste opstanding delen. En indien men antwoordt, dat men dat juist in Thessalonica niet wist, dat er een eerste opstanding van de gelovigen was, dan had de apostel hun dat eenvoudig met een paar woorden kunnen zeggen. Maar dat doet hij in het geheel niet; hij spreekt niet van een eerste en een tweede opstanding; hij betoogt alleen, dat de gelovigen, die bij Jezus’ komst nog levend overgebleven zijn, niets vóór zullen hebben bij hen, die reeds vroeger in Christus ontslapen zijn. Waarin de Thessalonicensen meenden, dat de laatsten bij de eersten zouden achterstaan, is ons onbekend. Maar dit doet er ook niet toe; het feit staat vast, dat men zo in Thessalonica oordeelde. En daar tegenover zegt Paulus nu, dat dit niet het geval is, want God zal de ontslapen gelovigen door middel van Jezus, die hen opwekken zal, terstond met Hem (met Jezus) doen zijn in zijn toekomst, zodat Hij hen als het ware meebrengt, en de levend overgebleven gelovigen zullen hen volstrekt niet vooruit zijn, want de opstanding van de doden gaat vooraf, en daarna worden alle gelovigen, zowel de opgestane als de veranderde gelovigen, tezamen opgenomen in de wolken, de Heere tegemoet. De tekst bevat dus niets van een eerste en een tweede opstanding.

Indien nu nergens in de Schrift zulk een tweeërlei opstanding voorkomt, zal men wel doen, ze niet al te spoedig in Op. 20 te vinden. En werkelijk komt ze daar ook niet voor. Er staat daar in vers 4 en 5, alleen dit, dat de zielen van de in de grote verdrukking trouw gebleven gelovigen als koningen met Christus duizend jaren leven en heersen en dat dit de eerste opstanding is. Johannes zegt duidelijk, dat hij de zielen, tav qucav, van de martelaren zag, cf. Op. 6:9, en maakt van opstanding van hun lichamen geen melding. Hij zegt voorts, dat de zielen, niet opstonden of opgewekt werden of in het leven ingingen, maar dat zij leefden en dat zij terstond als koningen met Christus leefden en heersten duizend jaren. Hij spreekt verder van de overige doden, oi loipoi twn nekrwn, en veronderstelt dus, dat de gelovigen, waarvan hij de zielen hij in de hemel zag, ook nog in zekere zin tot de doden behoren, maar toch leefden en heersten; daartegenover zegt Hij van de overige doden niet, gelijk in de Statenvertaling staat, dat zij niet weer levend werden, maar dat zij niet leefden, ouk ezhsan En hij voegt er eindelijk met nadruk aan toe, dat dit leven en heersen van de zielen van de getrouw gebleven gelovigen in tegenstelling met het niet-leven van de overige doden de eerste opstanding is. Men voelt als het ware de tegenstelling: dat is niet de eerste opstanding, die door sommigen, ook reeds in Johannes’ dagen aangenomen werd, alsof er een lichamelijke opstanding van de gelovigen aan het duizendjarig rijk vooraf zou gaan; maar de eerste opstanding bestaat in het leven en heersen van de getrouw gebleven gelovigen in de hemel met Christus. De gelovigen, aan wie Johannes schrijft en die straks de verdrukking tegemoet gaan, moeten niet denken, dat zij eerst zalig zullen worden aan het einde van de dagen. Neen, zalig zijn de doden, die in de Heere sterven van nu aan, aparti Op. 14:13; zij ontvangen terstond rust van hun moeiten; zij worden dadelijk bij hun sterven gekroond; zij leven en heersen met Christus in de hemel van het eerste ogenblik na hun dood af; en daarom kunnen zij bemoedigd de verdrukking tegengaan, de kroon van het leven ligt voor hen gereed, Op. 2:10. Johannes herhaalt hier, Op. 20:4-5, in het kort, wat hij vroeger aan de zeven gemeenten geschreven heeft. De beloften, welke daar aan de gelovigen, indien zij volhardden tot het einde, gegeven werden, kwamen alle hierop neer, dat wie overwint, gekroond zou worden. Wie overwint, ontvangt te eten van de boom des levens, Op. 2:17, van het verborgen manna, Op. 2:17, krijgt macht over de Heidenen, Op. 2:26, ontvangt de morgenster, Op. 2:28, wordt bekleed met witte klederen, Op. 3:5, wordt gemaakt tot een pilaar in Gods tempel, Op. 3:12, houdt het avondmaal met Jezus, Op. 3:20. In én woord, die overwint, Ik zal hem geven met mij te zitten in mijn troon, Op. 2:21. Wat Johannes eerst in de belofte zag, ziet hij thans in hoofdst. 20 in de vervulling; zij, die trouw blijven tot de dood, leven en heersen terstond met Christus in zijn troon in de hemel; en dat is de eerste opstanding. Maar Johannes voegt er nog iets aan toe, en bevestigt daarmee de boven gegeven verklaring. Hij zegt namelijk: zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding; over hem heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters Gods en Christi zijn, en met Hem heersen de duizend jaren. De tweede dood is volgens Op. 20:14 niets anders dan het geworpen worden in de poel van het vuur. Wat nu het lot van de in vs. 5, genoemde overige doden mag zijn, in elk geval zijn de getrouw gebleven gelovigen, die met Christus leven en heersen, voor die tweede dood gevrijwaard. Zij hebben reeds de kroon des levens, en eten reeds van het manna des levens, en behoeven dus voor het later volgend gericht niet te vrezen; wie overwint, zal van de tweede dood, die bij het eindgericht intreedt, niet beschadigd worden, Op. 2:11. Als Johannes de eerste opstanding in chiliastische zin verstond, als een lichamelijke opstanding van de gelovigen vóór het duizendjarig rijk, dan had hij zulk een vertroosting aan de gelovigen niet behoeven te geven. Hij had kunnen volstaan met te zeggen, dat zij nog vóór het duizendjarig rijk zouden opstaan. Maar neen, de gelovigen blijven nog tot het eindgericht toe in zekere zin tot de doden behoren; maar geen nood, indien zij volharden tot het einde, dan worden zij terstond gekroond en kunnen, ook al heerst de eerste dood nog over hun lichamen, door de tweede dood niet beschadigd worden.

1 Schürer, Gesch. d. jüd. Volkes II3 532, 551.

2 Verg. art. van Sieffert, in PRE3 I 577-584 en James art. Man of sin in Hastings D. B. III 226-228 met de daar aangehaalde lit.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept