Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Par. 27. Indeling der Namen Gods

Dionysius, de div. nom. c. 1. Damascenus, de fide orthod. I c. 12. Thomas, S. Theol. I qu. 13. Catech. Rom., I c. 2 qu. 11. 13. Petavius, De Deo I c. 5-13. Kleutgen, Theol. der Vorzeit I 2 211 v. 226 v. Scheeben, Dogm. I 478-513. Heinrich, Dogm. III 322 v. 375 v. Gerhard, Loci Theol. loc. II c. 6. 7. Quenstedt, Theol. I c. 8. Polanus, Synt. Theol. II c. 3 v. Zanchius, Op. II 9.10. Alsted, Theol. Schol. didact. bl. 56 v. Turretinus, Theol. El. III qu. 4-6. De Moor, Comm. I 562-589. Ritschl, Gesch. Studiën zur Lehre von Gott, Jahrb. f.d. Theol. 1865 en 1868. Schleiermacher, Chr. Gl. par. 50. Rothe, Theol. Ethik par. 16 v. Bochmer, Die Lehre von de Göttl. Eigenschaften 1821. Bruch, Die Lehre v.d. Göttl. Eig. Hamburg 1842. Cremer, Die Christl. Lehre von de Eigenschaften Gottes. Gütersloh 1897. Kaftan, Dogm. par. 13-15. Von Oettingen, Luthers Dogm. II 79 v. Haering, Der Christl. Gl. bl. 317-320. Charnock, Discourses on the existence and attributes of God 1682, new ed. Edinb. 1864. Strong, Syst. Theol. 3 New-York 1890 bl. 115 v. Hodge, Syst. Theol. I 366 v. Shedd, Dogm. Theol. I 334 v. Van Oosterzee, Christ. Dogm. par. 47 v. Doedes, De Leer van God, Utrecht 1871.

181. De Heilige Schrift noemt God met vele namen, maar gaat nooit van een abstract Godsbegrip uit, en verheft ook nimmer de een eigenschap Gods ten koste van de andere. Wel treedt nu eens de ene, dan weer de andere eigenschap meer op de voorgrond, maar er is tussen alle eigenschappen volkomen harmonie. Het is de bedoeling van de Schrift, alle deugden Gods in gelijke mate tot haar eer te brengen. Evenals de Persoon van Christus niet een bepaald eenzijdig karakter of temperament vertegenwoordigt en toch een Persoon is vol leven en realiteit, zo is ook God in Zijn openbaring altijd ontvouwende, al Zijn deugden in harmonische eenheid. Nergens is er van het Wezen Gods in abstracto sprake. Het Hebr. woord hyvnt, arad. hvy bestaan, zijn, arab. III helpen, oprichten, duidt datgene aan, wat bestand heeft, bestendig is, voordeel verschaft, in concreto vooral ware wijsheid en geluk, Job 5:12, 6:13, 12:16, 26:3 (Job 30:22). Spr. 2:7, 3:21, 8:14 en voorts alleen nog Jes. 28:29, Mich. 6:9, maar staat in geen van deze plaatsen voor het Wezen van God1. Evenmin kunnen de nieuwtestamentische woorden yeothv, Col. 2:9, yeiothv, Rom. 1:29, morfh yeou, Phil. 2:6, yeia fusiv, 2 Petr. 1:4, cf. Gal. 4:8 bewijzen, dat daar van het Wezen of de natuur van God in onderscheiding van Zijn eigenschappen gesproken wordt, gelijk Polanus wil2. Gods Wezen wordt voor ons in Zijn openbaring, d.i. in Zijn namen kenbaar. De namen Gods zijn benamingen van zijn aretai, 1 Petr. 2:9, een spraakgebruik dat zich aansluit bij Jes. 42:8,12; 43:21; 63:5, waar het Hebr. hlht lof, eer, in de LXX door areth is overgezet, cf. Hab. 3:3. Zach. 6:13. De gemeente heeft de roeping, om Gods deugden te verkondigen, d.i. om Hem eer te geven voor de doxa, die in al Zijn werken ten toon gespreid wordt. Van Gods Wezen, buiten de eigenschappen om, is in de Heilige Schrift nimmer sprake. Vanzelf ligt in deze leer der Schrift aangaande het Wezen Gods niet opgesloten, dat wij bij Hem niet van een natuur zouden mogen spreken. Integendeel, zij gaat ons zelf in dit spraakgebruik voor; en tegenover het pantheïsme, dat het zijn Gods en het zijn der wereld met elkaar vereenzelvigt, is het zelfs van het hoogste belang, om er de nadruk op te leggen, dat God een eigen natuur, een zelfstandig Wezen, een van de wereld onderscheiden zijn bezit. Maar wel dient men in het oog te houden, dat de Schrift niets weet van een Wezen Gods, dat buiten Zijn openbaring om door de denkkracht van de mens gevonden en gekend zou kunnen worden. Zij maakt geen scheiding en nog veel minder een tegenstelling tussen het ontologisch bestaan en de oeconomische openbaring Gods. Zoals God Zich openbaart, zo is Hij; in Zijn namen wordt Hij zelf ons kenbaar. Wel is Hij oneindig ver boven alle schepselen verheven, zodat er geen adequate, maar alleen een analoge kennis van Hem mogelijk is, doch Zijn verschillende, in de openbaring uitkomende, eigenschappen brengen toch voor ons bewustzijn de volheid van Zijn Wezen, telkens naar een bijzondere zijde, aan het licht.

In de eerste tijd werd dit in de Christelijke theologie ook goed beseft. Onder de nomina Dei werd alles samengevat, wat men van God te zeggen had. De namen Gods waren aanduiding niet alleen van de nomina propria, maar ook van de later zo genoemde eigenschappen en zelfs van de Personen in het Goddelijk Wezen, en de eigenschappen werden terstond in de idee Gods opgenomen3. Augustinus spreekt wel van Gods essentia, maar hij verstaat daaronder de volheid van het zijn Gods en neemt terstond alle eigenschappen, eenvoudigheid, eeuwigheid, goedheid, wijsheid enz. daarin op. In de confessies wordt meermalen ook op die wijze van God gesproken, zonder onderscheiding van Wezen en eigenschappen, en zonder indeling der eigenschappen4. En ook later nog gaan verscheidene theologen op deze distincties niet in en behandelen de eigenschappen, zonder vooraf over de natuur Gods te spreken5.

Maar spoedig werd er toch enige onderscheiding gemaakt. Men werd daartoe geleid door de vraag, welke eigenschap God terstond van alle schepselen onderscheidde, wat het hoofd begrip in Zijn Wezen was en waarvan men dus bij de leer Gods moest uitgaan. Weliswaar erkende men daarbij, dat elke eigenschap het Wezen Gods zelf is, maar men stelde zich toch de vraag, of er onder al die eigenschappen niet een was, die dat Wezen Gods op de meest principiële wijze aanduidde en waaruit zich dan als het ware de andere eigenschappen lieten afleiden. Nu had reeds de platonische filosofie dat hoofdbegrip in het zijn gezocht, en Philo had dit in verbinding gebracht met de naam Jahweh, de enige Naam, die niet een werking of kracht maar het Wezen Gods Zelf aanduidde, en noemde daarom God dikwijls o wn of to on6. Deze omschrijving van het Wezen Gods werd overgenomen in de Christelijke theologie. Irenaeus beschrijft God meermalen als absoluut eenvoudig, en noemt hem zelfs inexcogitabilis et insubstantivus, maar legt tegen het gnosticisme toch daarop vooral nadruk, dat God de Schepper is van alle dingen en dat Hij Zichzelf in Zijn werken heeft geopenbaard7. Daarentegen is bij Origenes, Athanasiust Damascenus, en anderen, God het éne, het Zijnde, ja het boven alle zijn verhevene, o wn, o wn kayeauton, to on, die het zijn Zelf is, die het zijn heeft uit en door Zichzelf8. En op voetspoor van Philo werd dit alles afgeleid uit of vastgeknoopt aan de naam van Jahweh in het Oude Testament. In het Westen werden deze bepalingen overgenomen. Augustinus omschrijft God telkens als summum esse, summum bonum, verum, pulchrum enz. God is een substantia, want wat geen substantia is bestaat niet. Maar, omdat het woord substantia dikwijls gebruikt wordt in tegenstelling met accidentia, die aan de substantie zijn en deze tot drager hebben, gebruikt Augustinus van God liever het woord essentia, quam Graeci ousian vocant en waarvoor ook wel het woord natura wordt gebruikt9. Bij God toch is er geen onderscheid tussen substantie en accidentiën; Zijn zijn is geen drager der eigenschappen, maar deze zijn met het zijn zelf identiek. God is het Hoogste, Beste, Schoonste, volmaakste Zijn, quo esse aut cogitari melius nihil possit. Hij is Deus, supra quem nihil, extra quem nihil, sine quo nihil est; summa vita, summa veritas, sunmma beatitudo, summa sapientia, Summa essentia10. En ook Augustinus beroept zich voor deze omschrijving Gods op de naam Jahweh11. Deze zelfde omschrijving vinden wij dan later telkens terug, bij Hilarius, Pseudodionysius, die echter elders uitgaat van de idee van het goede en zegt, dat deze nog verder zich uitstrekt dan die van het zijn, Anselmus, Lombardus, Thomas, Bonaventura en vele anderen12. De Roomse Godgeleerden gaan bij hun behandeling van de leer van God meestal van deze omschrijving van Gods Wezen uit. Maar toch waren er en zijn er ook heden ten dage nog, die aan een andere eigenschap van God de eerste plaats geven. Sommigen zoeken het hoofdbegrip bij de idee van God niet in het absolute zijn, in het esse ase (aseitas), maar in de oneindigheid; en zij omschrijven het Wezen van God daarom liefst als een ens infinitum. Zo deed Duns Scotus, die beweerde, dat het zijn univoce, in gelijke zin, aan God en aan het schepsel kon worden toegekend, maar dat het onderscheidend kenmerk tussen God en het schepsel daarin gelegen was, dat God was een ens infinitum en de schepselen eindig waren13. Terwijl deze dus allen van het absolute zijn uitgaan en een of andere onmeedeelbare eigenschap, de onafhankelijkheid, de oneindigheid of de eeuwigheid14 als het hoofdbegrip beschouwen, gaven anderen er de voorkeur aan, om meer op de intellectuele natuur van God de nadruk te leggen, en dus niet zozeer van het begrip van het absolute als van dat der persoonlijkheid uit te gaan. Zij omschreven dus het wezen van God als een ens intelligens, en waren onderling nog weer daarin onderscheiden, dat sommigen het radicale kennen, dat is met andere woorden de geestelijkheid, anderen daarentegen het actuele kennen als het constitutivum van het Goddelijk Wezen beschouwden15.

1 Delitzsch, Comm. Op Job 5:12.

2 Polanus, Synt. Theol. bl. 135.

3 Bijv. bij Irenaeus, adv. haer. I c. 14. II c. 13. 35.

4 Conc. Lateran. bij Denzinger, Enchir. symb. n. 355. Conc. Vat. de fide c. 1. Conf. Aug. art. 1. Conf. Gall. art. 1. Scot. art. 1. Belg. art. I. Conf. Westm. c. 2.

5 Bijv. Thomas, S. Theol. I qu. 3 v. Ursinus, Tract. Theol. bl. 46-70.

6 Zeller, Filos. der Griechen V3 356.

7 Irenaeus, adv. haer. II 1. 13. 28. IV 11. Verg. Harnack, D. G. I 485 v.

8 Grigenes, de princ. I 1 v. c. Cels. VI 64. VII 42. 51. Athanasius, de decr. nic. syn. c. 11. Damascenus, de fide orthod. I c. 2. 4. 9. Verg. Harnack, D.G. II 119 v. Schwane, D.G. I 132. II 35. Kattenbusch, Vergl. Confessionskunde I 310 v.

9 Augustinus, de trin. v 2. VII 5 v. de civ. XII 2. de doctr. christ. I 6.

10 Augustinus, de lib. arb. II 6. de doctr. christ. I 7. de civ. XII 8. Solil. I 1.

11 Id. de trin. V 2. VII 5. de doctr. christ. I 32.

12 Hilarius, de trin. I 1 v. Dionysius, de div. nom. c. 1 par. 6. Verg. c. 4 par. 1 en c. 5 par. 1. Anselmus, Monol. c. 28. Prosl. c. 17 v. Lombardus, Sent. I dist. 8. Thomas, S. Theol. I qu. 2 art. 3 en qu. 3. S. c. Gent. I 16 v. Bonaventura, Brevil. I c. 2. Sent. I dist. 8. Petavius, de Deo I c. 6. Perrone, Prael. Theol. II 81-90. Pesch, Prael. Theol. II 46-70. Jansen, Theol. II 26-46 enz.

13 Scotus, Sent. I dist. 3 qu. 1 en dist. 8 qu. 3.

14 Zoo C.M. Schneider, bij Heinrich, Dogm. III 325.

15 Verg. Heinrich, t.a.p. Perrone, Prael. Theol. II 82. Kleutgen, Theol. der Vorzeit 12 229.

x
This website is using cookies. Accept