Roeping en Wedergeboorte

2.

De onmiddellijke werking des H. Geestes.

19 De eerste vraag is in de Christelijke kerk aan de orde gekomen in den strijd van Augustinus en Pelagius.

Laatstgenoemde leerde n.l., dat de overtreding van Adam voor zijne nakomelingen geen gevolgen had dan alleen die van het kwade voorbeeld. Alle menschen waren niet van nature, maar worden eerst door hunne eigene zondige daden aan schuld en smet onderworpen. Zij waren niet dood en zelfs niet krank door zonden en misdaden, maar konden, indien zij wilden, zichzelf schikken tot deugd en de wet onderhouden. Wijl echter de zondige omgeving, waarin de menschen leefden, zoo grooten invloed op hen had, hun verstand verduisterde en hun wil verzwakte, was er van buiten af eene uitwendige genade van noode, die hun ter hulpe kwam in het onderhouden der wet. Die uitwendige genade bestond in de prediking van de natuurwet bij de Heidenen, van de zedewet onder Israël en van het evangelie onder de Christenen. Deze genade was en bleef dus geheel voorwerpelijk; zij was niet volstrekt noodig, zij bestond ook niet in eene herschepping of vernieuwing van den mensch, maar zij was alleen een uitwendig, 20 van buiten af bijkomend hulpmiddel, om den mensch het volbrengen der wet en het verwerven der zaligheid gemakkelijker te maken. Voor eene inwendige, wederbarende, herscheppende genade was dus in het stelsel van Pelagius geen plaats.

Maar Augustinus was reeds, voordat Pelagius met zijne leer optrad, door studie der H. Schrift en in verband met zijne eigene levenservaring tot eene gansch andere opvatting van de genade gekomen. Vooral de vraag van Paulus in 1 Cor. 4 : 7, wat onderscheidt u, o mensch, en wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? wees hem bij deze leer der genade den weg.

De mensch was n.l. volgens Augustinus tengevolge van Adams overtreding dood in zonden en misdaden en had daarom aan eene uitwendige, helpende genade voor zijne zaligheid niet genoeg. Wel duidt Augustinus ook de uitwendige weldaden, zooals de verkondiging van het Woord, de bediening van de sacramenten, meermalen met den naam van genade aan. Maar deze genade is niet voldoende. Er moet eene andere, inwendige genade, eene genade des H. Geestes bijkomen, die den mensch wederbaart en beweegt tot het geloof.

Deze genade bestaat dus niet daarin, dat zij alleen uitwendig, leerend en vermanend optreedt en ons hulp en steun biedt bij het gelooven in Christus en het volbrengen van zijne geboden. Maar zij is eene inwendige genade, eene verborgen inblazing (inspiratio) Gods, eene instorting van geloof en liefde door den Heiligen Geest, eene mededeeling van kracht, die het verstand verlicht, den wil buigt en in ons al het goede schept. Zij wordt uitgedeeld niet naar eenige verdienste, maar louter naar Gods barmhartigheid, uit zuivere genade, en werkt onafwijsbaar, 21 onovertrefbaar, onwederstandelijk. Zij is eene aan alle goed werk in ons voorafgaande, eene alle goed werk in ons voorbereidende en werkende genade, en brengt in ons allereerst het vermogen, het willen tot stand, maar om daarna als medewerkende genade ook het doen zelf in ons voort te brengen. Zij geeft ons het vermogen, om te gelooven en lief te hebben, maar doet ons daarna ook gelooven en liefhebben metterdaad. Door haar verliest het verstand zijne blindheid, de wil zijne zwakheid. En de vermogens des menschen worden dus door haar niet onderdrukt en vernietigd, maar veeleer in hunne oorspronkelijke kracht en zuiverheid hersteld.

Nu wordt deze genade wel meermalen door Augustinus eene inwendige, verborgene, werkende, scheppende, maar nooit voorzoover mij bekend is, eene onmiddellijke genoemd. Toch is er geen twijfel aan, of hij heeft deze werking der genade in het hart van den zondaar als eene onmiddellijk werkende gedacht; maar dan altijd, indien de beteekenis dezer uitdrukking goed verstaan wordt. Augustinus heeft volstrekt niet gemeend, dat deze genade werkte buiten het instituut der kerk, buiten de bediening van Woord en sacrament om. Integendeel, hij heeft de werking der genade zoo sterk mogelijk gebonden aan de ééne, heilige, katholieke kerk. Maar onmiddellijk is de werking der genade bij Augustinus toch in dien zin, dat zij, schoon gepaard gaande met de genademiddelen, toch inwendig in het hart van den mensch onmiddellijk werkt, zonder dat er iets tusschen de werking des H. Geestes en hare vrucht, n.l. de vernieuwing van het hart des menschen, komt in te staan.

Dat blijkt in het algemeen reeds uit zijne leer van de alomtegenwoordigheid Gods. Want deze wordt door 22 Augustinus niet zoo verstaan, dat God met zijn wezen binnen den hemel is besloten, en van daar uit de verte alle dingen ziet en bestuurt. Maar God is, schoon boven alle schepsel oneindig verheven, toch ook met zijn wezen in alle schepsel onmiddellijk tegenwoordig. Hij is geheel in den hemel en geheel op de aarde en geheel in beide en in alle ding, dat bestaat. Door niets wordt Hij in-, door niets wordt Hij uitgesloten. Hij is overal in zichzelven geheel. Er is wezenlijk onderscheid tusschen het zijn Gods en het zijn der schepselen. Maar desniettemin is Hij in alle dingen onmiddellijk, met zijn gansche wezen, tegenwoordig. In Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij. Hij draagt zelf alle dingen rechtstreeks door het woord zijner kracht.

En hiermede in overeenstemming leerde Augustinus ook op het gebied des geestelijken levens, dat God met zijn Geest onmiddellijk tegenwoordig is en werkt in het hart zijner uitverkorenen, die Hij ten leven roept. Want de genade, door welke het leven in den dooden zondaar ingestort wordt, moge met uitwendige middelen gepaard gaan; zij zelve dringt in het hart door, is van geen verstandelijk inzicht of vrije wilsdaad des menschen afhankelijk, maar werkt door onafwijsbaar en onwederstandelijk. Zij raadt zoo aan, dat zij overreedt. Zij komt den mensch, die niet wil, op die wijze voor, dat hij wèl wil. Zij bewerkt zonder ons, zonder onze toestemming, zonder onzen wil, dat wij willen. En wanneer zij dan bewerkt heeft, dat wij willen, werkt zij vervolgens met ons mede, en doet het vermogen tot daad, het willen tot volbrengen overgaan.

In dezen zin verstaan, is de leer van de onmiddellijk werkende genade het kenmerk van alle anti-pelagiaansche theologie. 23

De leer van Augustinus over de inwendige, onwederstandelijke genade werd in de Roomsche kerk nooit veroordeeld, maar toch langzamerhand verzwakt en gewijzigd.

Volgens Rome is er wel, in tegenstelling met het Pelagianisme, dat het begin en den voortgang des geloofs aan des menschen wil toeschrijft, eene voorafgaande en voorkomende genade van noode. Maar daarbij is het toch volstrekt niet duidelijk, wat onder die voorkomende genade verstaan moet worden. De belijdenisschriften spreken er in vage, voor verschillende verklaringen vatbare termen over; en de Roomsche godgeleerden loopen in de beschrijving dier voorkomende genade verre uiteen.

Sommigen vereenzelvigen haar met de uitwendige roeping, die in het evangelie tot alle menschen komt. Anderen denken erbij aan eene inwendige werking des H. Geestes op het verstand en den wil van den mensch. Zelfs zijn er, die haar bepaald opvatten als eene genadige hulp, als eene inwendige, bovennatuurlijke gave, waardoor God het verstand verlicht en, gelijk sommigen uitdrukkelijk zeggen, onmiddellijk den wil des menschen tot het gelooven beweegt.

Maar hoe dit ook zij, in elk geval staat volgens de officieele leer van Rome vast, dat die voorkomende genade door den mensch aangenomen maar ook afgewezen en verworpen kan worden. De voorkomende genade moge dus het vermogen schenken om te gelooven; zij schenkt het gelooven zelf niet. Zij werkt niet beide het willen en het volbrengen naar Gods welbehagen. Tusschen hare werking en het werkelijk gelooven schuift zich de vrije wil des menschen in, die haar aannemen en met haar medewerken, maar ook haar afwijzen en verwerpen kan. De voorkomende genade is geen scheppende, geen alleen-werkende, 24 geen onwederstandelijke, en in dezen zin geen onmiddellijke genade. Zij is in hare werking afhankelijk van den wil van den mensch.

Tegen dit Semipelagianisme kwam de Reformatie in verzet. Oorspronkelijk was er in dit verzet onder de Hervormers geen verschil. Maar later zijn de Lutherschen op hun schreden teruggekeerd en hebben de werking der genade wederom van den wil des menschen afhankelijk gemaakt. Immers stellen zij het over het algemeen zoo voor, dat kinderen des verbonds in den doop of volwassenen onder de bediening des Woords eene genoegzame kracht ontvangen, om de genade Gods in Christus niet te wederstaan en daardoor, indien zij willen, te gelooven. Indien zij willen, worden zij door de prediking der wet tot boete en door die van het evangelie tot wedergeboorte gebracht. De wedergeboorte wordt ook hier dus van den wil des menschen, van zijne aanneming der voorkomende genade afhankelijk gedacht. Zij is niet onmiddellijk en niet onwederstandelijk.

Maar anders oordeelden de Gereformeerden. Zij keerden tot de leer van Paulus en Augustinus terug, en volhardden daarbij trots alle bestrijding en tegenstand. Bij de orde van de heilsweldaden gingen zij uit van de schoone gedachte, dat er geen gemeenschap is aan de weldaden van Christus, dan nadat er vooraf gemeenschap zij aan den persoon van Christus. Alle weldaden van het verbond der genade komen den uitverkorenen uit Christus toe, ook de voorbereidende weldaden van bekeering en geloof, die tot de vergeving der zonden, tot de heiligmaking, tot de zaligheid en de heerlijkheid heenleiden.

Indien dit nu zoo was, moest de schenking van Christus aan de uitverkorenen en hun beider mystieke vereeniging 25 aan de gave van alle andere weldaden voorafgaan. En zoo werd dan ook sedert Calvijn door alle Gereformeerden geleerd. De schenking van de uitverkorenen aan, en hunne vereeniging met Christus is reeds van eeuwigheid in het besluit geschied. Zij is bevestigd in de beloften des evangelies van Gen. 3 : 15 afaan, en voorts voorwerpelijk als voor onze oogen in de geschiedenis verwezenlijkt, in de menschwording, in de kruisiging en in de opstanding. Toen toch heeft Christus onze natuur aangenomen, heeft Hij ons met zichzelven gekruisigd en heeft Hij zijne gansche gemeente met zich opgewekt en verheerlijkt. Maar deze voorwerpelijke vereeniging met Christus is niet genoeg; zij moet ook onderwerpelijk tot stand gebracht worden. De verwerving der zaligheid gaat vooraf, maar zij behoort toch door hare toepassing gevolgd te worden. En zoo kwam dus de vraag aan de orde: waarmede begint deze onderwerpelijke toepassing van de weldaden des verbonds? Wanneer komt de vereeniging tusschen Christus en den uitverkorene ook onderwerpelijk, aan de zijde des menschen en in den mensch, tot stand?

In den eersten tijd was er over deze vraag onder de Gereformeerden in zoo verre zeer groot verschil, als dit allereerste moment in de toepassing des heils met zeer onderscheidene namen aangeduid werd. Allen lieten de uitwendige roeping door het evangelie voorafgaan. Maar deze komt tot verkorenen en verworpenen beide, en liet de vraag onbeslist, wanneer en waarmede in de verkorenen de toepassing des heils een aanvang nam. En zoo liet men deze toepassing van de weldaden des verbonds beginnen met de inwendige roeping, met het berouw, met het geloof, met de bekeering, met de wedergeboorte, met de werkende genade enz. 26

In het gebruik der woorden, waarmede de allereerste aanvang van de toepassing der heilsweldaden werd aangeduid, heerschte er dus groote verscheidenheid. Maar zakelijk was er toch volkomen overeenstemming. Alle Gereformeerden toch beleden, dat de aanvang niet bij den mensch kon liggen, maar alleen bij God. De mensch toch was van nature onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad. Uit hem kon onmogelijk het onderscheid verklaard worden, dat blijkens Schrift en ervaring telkens in de vrucht en uitwerking der roeping waar te nemen viel. De menschen onderscheidden zichzelven niet, want zij waren allen gelijk, dood in zonden en misdaden. Maar God maakte onderscheid tusschen hen, naar zijn eeuwig welbehagen en door de kracht zijner genade.

God was en bleef dus de eerste in het gansche werk der zaligheid, niet alleen bij de verwerving, maar ook bij de toepassing, en de mensch was ontvangend en lijdelijk. Hij kon dan eerst handelend optreden, dat is, gelooven en zich bekeeren, wanneer hij vooraf door Gods herscheppende, krachtdadige, onwederstandelijke genade daartoe de kracht had ontvangen en bekwaam was gemaakt.

Zoo kwamen de Gereformeerden, ofschoon niet in elk opzicht langs dezelfde lijn van gedachten, tot de belijdenis van Augustinus aangaande de inwendige, verborgene, krachtdadige genade. Deze genade gaat bij de uitverkorenen op 's Heeren tijd met de uitwendige roeping gepaard, dringt in het harte door, plant daar het beginsel des nieuwen levens in, en werkt er geloof en bekeering.

Ofschoon met de uitwendige roeping door het evangelie gepaard gaande, ligt die genade toch niet in het woord des evangelies besloten, maar zij dringt in het hart des menschen door, raakt, om zoo te zeggen, den mensch in 27 zijn verborgenste wezen onmiddellijk aan, en vernieuwt hem, zonder zijn weten en willen, in beginsel naar het evenbeeld Gods. Zij is volstrekt niet van eene toestemming des verstands of van eene vrije wilsdaad afhankelijk. Er staat tusschen deze werking der genade en den mensch, die herboren wordt, niets in, geen woord, geen sacrament, geen kerk of priester, geen verstands- of wilsdaad. De H. Geest werkt in het hart van den uitverkorene de genade der wedergeboorte (des geloofs, der bekeering, of hoe men dit eerste moment ook noemen moge) rechtstreeks en onmiddellijk, onwederstandelijk.

Bewijzen hiervoor uit de Gereformeerde theologie bij te brengen, mag overbodig geacht worden. Ieder kan ze vinden bij elk Gereformeerd schrijver over de inwendige roeping en in ieder Gereformeerd symbool. Wel is waar wordt de inwendige roeping of de wedergeboorte of de gave des geloofs zelden eene onmiddellijke genoemd. Schier zonder uitzondering bepaalt men er zich toe, om ze als krachtdadig, onwederstandelijk en nochtans liefelijk te omschrijven. Maar desniettemin is er geen de minste twijfel over, dat die genade, welke het allereerste beginsel des nieuwen levens in het hart van den zondaar plant, in dien zin onmiddellijk mag heeten, dat zij, al of niet gepaard gaande met het Woord, in den mensch rechtstreeks werkt, zonder tusschenkomst en zonder afhankelijk te zijn van 's menschen verstandelijke toestemming of vrije wilsdaad.

Calvijn zet het zoo juist en schoon uiteen: God beweegt onzen wil niet, gelijk vele eeuwen lang overgeleverd en geloofd is, zoo, dat het in onze keus zou staan, om die beweging te gehoorzamen of ze te weerstaan, maar zoo, dat Hij krachtdadig onzen wil aandoet en buigt. Hij werkt ook het willen in ons, wat niet anders wil zeggen, dan 28 dat de Heere door zijn Geest ons hart richt, buigt en bestuurt, en daarin, als in zijn eigen gebied, heerschappij voert. De tusschenin staande beweging (motus medius), waarnaar het bij ons zou staan om al of niet te gehoorzamen, is dus door de krachtdadige standvastigheid ter volharding uitgesloten (Inst. II 3, 10).

Daarom werd dan ook door Dr. Kuyper het beginsel en wezen van het Calvinisme in dezer voege bepaald: Het Calvinisme zoekt God niet in het creatuur, gelijk het Paganisme, het isoleert God niet van het creatuur, gelijk het Islamisme, het stelt tusschen God en het creatuur geen middellijke gemeenschap gelijk Rome , maar proclameert de hooge gedachte, dat God, hoog in majesteit boven alle creatuur staande, nochtans met dat creatuur onmiddellijke gemeenschap oefent door zijnen Heiligen Geest. Dit is dan ook het hart en de kern van de Calvinistische belijdenis der preedestinatie. Gemeenschap met God, maar tot in de eeuwigheid, d.i. tot in zijn raadsbesluit doorgetrokken. Geen genade dan rechtstreeks uit God ons toekomende. Op alle oogenblikken des levens, heel onze geestelijke existentie door God zelven gedragen. Elk kind Gods met Hem in rechtstreeksche gemeenschap tredend en in heel zijn existentie Hem dienend.


Deze leer van de onmiddellijke werking des Heiligen Geestes in het hart van den zondaar, die wedergeboren en tot het geloovig aannemen van Christus en al zijne weldaden bekwaam wordt gemaakt, werd door de Gereformeerden hier te lande in hun strijd met de Remonstranten met kracht gehandhaafd en tot breeder ontwikkeling gebracht.

Arminius n.l. en zijne volgelingen vielen in de dwaling van het Semipelagianisme terug en maakten de werking 29 van de genade van den wil des menschen afhankelijk. Reeds in zijne stellingen over de praedestinatie van den 7en Febr. 1604 leerde Arminius, dat God, die niet alleen een rechtvaardig Rechter, maar ook een liefderijk Vader was, van eeuwigheid tusschen het gevallen menschelijk geslacht dit onderscheid had gemaakt, dat Hij dengenen, die van hunne zonden afstaan en hun vertrouwen op Christus stellen, de zonden zou kwijtschelden en het eeuwige leven schenken, maar dat Hij de hardnekkigen zou straffen; en voorts, dat het Gode aangenaam was, dat zich alle menschen bekeerden en, tot kennis der waarheid gekomen zijnde, daarbij bleven, doch dat Hij niemand dwong.

Op de Haagsche Conferentie ten jare 1611 zeiden de Remonstranten wel, dat de mensch het zaligmakend geloof niet van zichzelven heeft, noch uit kracht van zijnen vrijen wil, maar dat het van noode is, dat hij van God in Christus door zijn Heiligen Geest wordt herboren en vernieuwd in verstand, genegenheden en wil, en dat dus de genade Gods het beginsel, de voortgang en de volbrenging alles goeds is.

Doch zij wierpen dit alles weer omver door de toevoeging, dat de wijze van werking dezer genade niet onwederstandelijk is en werden gedwongen dit alzoo te verklaren, dat de wil des menschen wel niet naast de genade werkt, maar toch, door haar bekwaam gemaakt, zelf zich tot geloof en bekeering schikken, of ook de ontvangen genade afwijzen en verwerpen kan.

In dien geest verklaarden zij dan ook op de Dordsche Synode: de krachtige genade, waardoor iemand bekeerd wordt, is niet onwederstandelijk; en hoewel God den wil alzoo door het Woord en de inwendige werking zijns Geestes aanroert, dat Hij beide de macht om te gelooven, 30 of bovennatuurlijke krachten geeft, èn den mensch inderdaad doet gelooven; nochtans heeft de mensch uit zichzelven deze genade kunnen verachten en niet gelooven, en alzoo vervolgens door eigen schuld verloren gaan.

En zij verduidelijkten hun gevoelen nog, door aldus voort te gaan: Hoewel naar den gansch vrijen wil Gods de ongelijkheid der Goddelijke genade zeer groot zij, nochtans geeft de Heilige Geest, of is bereid te geven, zooveel genade aan allen en een iegelijk, wien Gods Woord gepredikt wordt, als genoegzaam is tot bevordering van de bekeering der menschen in hare trappen; en derhalve verkrijgen niet alleenlijk degenen genoegzame genade ten geloove en ter bekeering, dewelke God gezegd wordt naar het besluit der volstrekte verkiezing te willen zaligmaken, maar ook diegenen, die metterdaad niet bekeerd worden.

Deze verklaring laat aan duidelijkheid niets te wenschen over. Volgens het gevoelen der Remonstranten ontvangen allen, die onder het evangelie leven, of kunnen zij althans ontvangen eene genoegzame genade tot geloof en bekeering. Maar of zij metterdaad gelooven en zich bekeeren, dat hangt van den wil des menschen af. De genade des Heiligen Geestes is dus in hare werking van den mensch afhankelijk; zijne toestemming, zijne vrije wilsbeslissing staat tusschen beide in. De Remonstranten loochenden daarmede de inwendige, krachtdadige, onwederstandelijke, alleen-werkende, dat is met andere woorden de onmiddellijk en rechtstreeks werkende genade des Heiligen Geestes, en namen alleen eene zedelijke, aanradende genade aan.

Ten overvloede worde dit met eene aanhaling uit Episcopius bevestigd, omdat hij daarin het woord onmiddellijk gebruikt.

In de zesenveertigste zijner theologische disputaties stelt 31 hij aan het slot de vraag: of er eenige onmiddellijke werkzaamheid des Heiligen Geestes in het verstand of in den wil des menschen noodzakelijk zij, of in de Schriften beloofd wordt, daartoe, dat iemand gelooven kunne aan het uitwendig gepredikte Woord?

En hij geeft daarop een ontkennend antwoord. Als zij er zijn mocht, noodzakelijk is ze toch niet; en in elk geval blijft de mensch vrij, om haar te wederstaan.

Dit Remonstrantsche gevoelen werd op de Dordsche Synode verworpen. En daartegenover stelden de Gereformeerde Christenen van die dagen vast, dat, wijl de mensch van nature dood was in zonden en misdaden, God ook bij de toepassing van de weldaden des verbonds de eerste moest zijn en door zijne genade in den mensch niet alleen het vermogen, om te gelooven, maar ook het gelooven zelf tot stand brengen moest.

De besluiten der Synode, waarin de Gereformeerde leer op dit belangrijke punt is neergelegd, zijn bekend en behoeven voor ons doel slechts met een enkel woord in herinnering gebracht te worden.

Vooreerst spreken de Dordsche vaderen te dezen opzichte uit, dat het geloof en de bekeering niet toe te schrijven zijn aan den mensch, alsof die zichzelven door zijn vrijen wil van anderen, die met gelijke of even genoegzame genade tot geloof en bekeering voorzien waren, onderscheidde, maar aan God, die, gelijk Hij de zijnen van eeuwigheid in Christus uitverkoren heeft, zoo ook dezelven in der tijd krachtdadiglijk roept, met het geloof en de bekeering beschenkt en, aan de macht der duisternis ontrukt zijnde, in het koninkrijk zijns Zoons overbrengt.

Ten andere belijden zij, dat God, wanneer Hij dit zijn welbehagen in de uitverkorenen uitvoert, hun niet alleen 32 uitwendig het evangelie laat prediken en zelfs niet alleen door den Heiligen Geest krachtdadig hun verstand verlicht, maar ook door de uitwerkende kracht van denzelven wederbarenden Geest doordringt tot in de binnenste schuilhoeken der menschen, hunne geslotene harten opent, het harde week maakt, het onbesnedene besnijdt, nieuwe hoedanigheden in den wil instort en dezen van dood levend, van kwaad goed, van niet willende gewillig en van weerbarstig onderworpen maakt.

Vervolgens omschrijven zij deze werking van Gods Geest nog nader door de namen wedergeboorte, vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking uit den dood, levendmaking, en zeggen, dat God ze zonder ons in ons werkt. Want zij geschiedt niet door eene zedelijke aanrading, waarbij het in de macht des menschen zoude blijven, om wedergeboren of niet wedergeboren, bekeerd of niet bekeerd te worden. Maar zij is eene geheel bovennatuurlijke, allerkrachtdadigste en tegelijk allerbeminnelijkste, verwonderlijke, verborgene en onuitsprekelijke werking; in hare uitnemendheid niet minder noch lager te schatten dan de schepping of de wederopwekking der dooden.

En eindelijk trekken zij daaruit dan het besluit, dat allen, in wier harten God op zoo wonderbare wijze werkt, zeker, onfeilbaar en krachtdadig wedergeboren worden en met der daad gelooven. Het geloof is derhalve eene gave Gods, niet in dien zin, dat het van God aan des menschen vrijen wil wordt aangeboden, maar het wordt den mensch met der daad medegedeeld, ingegeven en ingestort. Ook is het geloof niet slechts in dien zin eene gave Gods, dat God alleen het vermogen om te gelooven verleent, doch de toestemming of daad van gelooven vervolgens van des menschen vrijen wil tegemoet ziet; maar het is eene gave 33 Gods ook aldus, dat Hij het willen gelooven en het gelooven zelf in den mensch uitwerkt; Hij namelijk, die het willen en volbrengen en dus alles in allen werkt.

Dit is het oordeel, dat de Dordsche Synode stelde tegenover het Remonstrantsche gevoelen. Eene voorkomende, zedelijke, aanradende genade is voor den mensch tot geloof en bekeering ongenoegzaam. Bij de kracht, welke het Woord uitoefent, moet er eene andere, inwendige, verborgene werking des Heiligen Geestes bijkomen, welke in de eerste plaats het vermogen des geloofs en der bekeering schenkt en daarna in de tweede plaats ook onfeilbaar zeker dat vermogen in de daad van geloof en bekeering doet overgaan.

Deze werking des Heiligen Geestes wordt door de Dordsche Synode, evenals door de verschillende uit- en inlandsche afgevaardigden in hunne oordeelen, op verschillende wijze omschreven. Zij heet eene inwendige, verborgene, geheimzinnige, krachtige, krachtdadige, bovennatuurlijke, almachtige, onverwinnelijke, onwederstandelijke, genadige, liefelijke genade.

Maar de term onmiddellijke genade of onmiddellijke wedergeboorte wordt niet gebruikt. Wel is ze zoo, gelijk we later zien zullen, door enkele Gereformeerde godgeleerden omschreven. En goed verstaan, is deze omschrijving niet af te keuren. Maar zij is door de Dordsche Synode en ook door vele theologen misschien wel met opzet vermeden, omdat zij licht tot misverstand aanleiding geven en eene, later te noemen, Remonstrantsche bedenking in de hand werken kon.

Doch desniettemin staat vast, dat volgens de Gereformeerde leer de Heilige Geest de wedergeboorte en het geloof niet op die wijze in den mensch tot stand brengt, dat 34 Hij binnen de genademiddelen besloten blijft of daar doorheen werkt. Integendeel, Hij dringt tot in de binnenste schuilhoeken van het hart des menschen door; Hij opent het geslotene hart; Hij werkt de levendmaking in ons zonder ons; Hij gaat zelf met zijne Goddelijke kracht in den mensch inwonen en stort in verstand, wil en genegenheden nieuwe hebbelijkheden in, zoodat de duisternis, de onwilligheid en ongeregeldheid wijkt en voor verlichting, gewilligheid, oprechtheid plaats maakt.

Over de vraag, of deze werking des Geestes zonder misverstand eene onmiddellijke genoemd kan worden, moge verschil van gevoelen bestaan. Over de zaak zelve is alle verschil uitgesloten. Zij raakt het hart der Gereformeerde theologie, de kern der Heilige Schrift in de leer van de toepassing des heils.


Hoewel de zaak zelve duidelijk is, moge toch met enkele woorden nog het hoog belang worden aangewezen, dat bij de Gereformeerde leer van de inwendige en onverwinlijke genade des Heiligen Geestes betrokken is.

In de eerste plaats is hiermede een soteriologisch belang gemoeid; dat wil zeggen het gansche werk der zaligheid, in zijne verwerving en toepassing beide, staat met deze leer der genade in het nauwste verband. Want dit springt een ieder terstond in het oog, indien bij de wedergeboorte des menschen eene zedelijke, aanradende genade genoegzaam is, dan valt heel de Bijbelsche leer van de zonde en tevens de gansche leer der zaligheid, gelijk deze naar de Schrift door Christus verworven is en toegepast wordt.

De Remonstranten namen eerst een schoonen schijn aan. Het derde en vierde artikel, dat zij op de Haagsche Conferentie en de Dordsche Synode indienden, zag er vrij 35 onschuldig uit. Zij zeiden, dat de mensch het zaligmakend geloof van zichzelven niet heeft noch uit kracht van zijn vrijen wil; dat hij van God in Christus door zijn Heiligen Geest wedergeboren en vernieuwd moet worden in verstand, genegenheden, wil en alle krachten; en dat de genade Gods het beginsel, de voortgang en de voortbrenging van alles goeds is.

Maar het vergif bleek te schuilen in den staart. Aan het slot van het vierde artikel zeiden zij, dat de werking dier genade niet onwederstandelijk was.

Daarbij lieten de Remonstranten het voorkomen, alsof hun bezwaar alleen dien term onwederstandelijk gold. Maar dit was te oneerlijker, omdat die term volstrekt niet door de Gereformeerden van harte begeerd, soms zelfs verworpen en liever door den naam onverwinlijk vervangen werd; en omdat het juist de Remonstranten waren die dezen term, aan de Jezuïten ontleend, aan de Gereformeerden opdrongen.

Desniettemin kwam hun gevoelen allengs duidelijker voor den dag. Zeker was er ook volgens hen eene Goddelijke genade van noode. Maar die genade bestond alleen in de zedelijke aanrading door het Woord Gods. Op de Haagsche Conferentie werd het uitgesproken hunnerzijds: wij gelooven op grond van Gods Woord, dat Gods Geest geen kracht tot bekeering in ons uitwerkt dan door het Woord (per verbum), daar dit toch het eenige zaad der wedergeboorte is.

Daarmede viel heel de Bijbelsche leer van de zonde. Want indien eene aanradende genade voldoende is, is de mensch niet dood in zonden en misdaden. Zijn verstand moge dan eenigszins verduisterd en zijn wil eenigermate verzwakt zijn; de vrijheid en de macht kan hem dan niet worden ontzegd, om het evangelie aan te nemen. Wel 36 stelden de Remonstranten het eerst voor, alsof die kracht door den H. Geest aan allen, die onder het evangelie leven, werd aangeboden en geschonken. Maar die kracht bleek weldra feitelijk niets anders te zijn dan de prediking van het evangelie zelve. En zoo werd het dan later onomwonden uitgesproken, dat ieder, mits hij zijne rede gebruikt, zonder eenige bijzondere, onmiddellijke of inwendige verlichting gemakkelijk dien zin der H.S. verstaan kan, welke ter zaligheid te kennen, te gelooven en te betrachten is.

Maar als de mensch niet dood is in zonden en misdaden, dan verandert ook het werk der zaligheid geheel van karakter. Christus moge dan de mogelijkheid der zaligheid hebben verworven, de zaligheid zelve is zijn werk niet. Heel zijn priesterlijk ambt wordt overbodig en valt weg; voor zijne offerande is geen plaats meer. Genoeg is het dan, dat Hij een profeet is geweest, die de waarheid heeft verkondigd en door die prediking de menschen tot geloof en bekeering opwekt, opdat zij langs dien weg zelven de zaligheid verwerven.

Schijnbaar opent deze Remonstrantsche weg voor velen de mogelijkheid tot de hemelsche zaligheid. Maar feitelijk sluit hij deze voor duizenden en millioenen af. Want indien het Woord, gelijk het op de Haagsche Conferentie gezegd werd, het eenige zaad der wedergeboorte is, zijn alle jongstervende kinderkens, alle idioten, krankzinnigen enz., van de zaligheid uitgesloten. Of men moet, erger nog, de Schrift in het aangezicht weerspreken, als zij zegt, dat Christus de weg, de waarheid en het leven is, dat niemand tot den Vader kan komen dan door Hem, en dat er geen andere naam onder den hemel den menschen tot zaligheid gegeven is, dan de naam van Jezus alleen.

Zoo diep grijpt de Remonstrantsche loochening van de 37 inwendige genade op heel de belijdenis der Christelijke waarheid in. Maar er is bij haar ook nog een tweede, een theologisch belang betrokken; dat wil zeggen, de verhouding van God tot zijn schepsel in het algemeen wordt er geheel door gewijzigd. Want indien Gods Geest niet innerlijk in den mensch kan gaan inwonen, maar buiten hem blijft staan en slechts van buiten door het Woord op hem kan inwerken, dan is daarmede in beginsel eene betrekking van God tot de wereld aangenomen, welke door de H. Schrift lijnrecht wordt weersproken.

Want zeker, onze God woont in den hemel en doet alwat Hem behaagt. Hij is niet, gelijk het pantheïsme leert, in de wereld besloten noch met haar substantie eenzelvig. Er is een oneindige afstand tusschen God en zijn schepsel. Maar die afstand is oneindig, niet in hoegrootheid maar in hoedanigheid, niet in ruimte maar in natuur en wezen. Want al woont God in dien zin in den hemel, dat Hij daar op geheel bijzondere wijze zich openbaart; Hij is toch met zijn wezen alomtegenwoordig, in aarde en hel, in mensch en beest, in stof en geest. De hemel der hemelen kan Hem niet bevatten. Hij draagt alles door het woord ziji)er kracht. In Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij. Hij is niet ver van een iegelijk van ons. Zijne voorzienigheid is eene almachtige en alomtegenwoordige kracht, waardoor Hij alle dingen onderhoudt en regeert.

En de voorzienigheid Gods in dezen Bijbelschen, Gereformeerden zin is op het standpunt der bestrijders van de inwendige genade niet te handhaven. God wordt dan een God van verre. Hij staat op een onmetelijken, eindeloozen afstand van de wereld. Tussschen Hem en het innerlijkst wezen der schepselen staat altoos iets in. Wel wordt Hij nog als de Schepper erkend, maar men stelt het toch zoo 38 voor, dat Hij, sedert Hij schiep, de wereld aan zichzelve overliet. Hij rustte ze toe met genoegzame kracht, om zichzelve te ontwikkelen, niet alleen natuurlijk maar ook verstandelijk en zedelijk, godsdienstig en geestelijk. Hoogstens moet Hij nu en dan van buitenaf even ingrijpen, om, als de wereld in een of ander opzicht dreigen zou in de war te loopen, ze weer op gang en in orde te brengen. Maar overigens loopt de wereld als een machine, als een uurwerk af. Openbaring, profetie, wonder wordt hier een vreemd element, dat daarom zooveel mogelijk beperkt en eindelijk als geheel overbodig of zelfs als schadelijk en Gode onwaardig verworpen wordt. Het deïsme heeft rationalisme en moralisme ten gevolge.

En eindelijk is er bij de loochening van de inwendige genade ook een diep religieus belang in het spel. Want godsdienst is toch naar zijn wezen niets minder dan gemeenschap met God, de diepste, innigste, teederste gemeenschap, welke na die van de drie personen in het Goddelijk wezen en na die van de beide naturen in Christus denkbaar en bestaanbaar is. Dat drukt de Schrift uit in de schoone leer van het verbond. Want het verbond duidt die daad Gods aan, waardoor Hij den mensch als zijn beeld in betrekking tot zichzelven stelt en voortdurend in zijne gemeenschap leven doet. En die gemeenschap is inniger en teederder dan die van man en vrouw, van wijnstok en ranken, van fundament en gebouw. De Schrift kan geen woorden en beelden vinden, sterk en duidelijk genoeg, om die gemeenschap ons eenigermate te doen verstaan.

Doch op het standpunt van de louter zedelijke genade is er zulk eene religie niet. Er is daar geen plaats voor een verbond, maar alleen voor een contract, zooals tusschen een heer en zijn knecht. God is de Heer, die bevelen 39 geeft en geboden voorschrijft, en de mensch is zijn dienstknecht, die in loonverhouding tot Hem staat en voor zooveel geleverden arbeid ook op zooveel loon aanspraak heeft. Het is de godsdienst van den farizeër, bij uitnemendheid geschikt voor den eigengerechtige en werkheilige, maar troosteloos en onbarmhartig voor de tollenaren en zondaren, voor de boetende Magdalena's en de weenende Petrussen.

De historie heeft op de besluiten der Dordsche Synode het zegel gedrukt. Het Remonstrantisme, eerst zoo gematigd en lief, heeft den weg gebaand voor rationalisme en deïsme, voor het wegkwijnen en wegsterven van allen godsdienst.

En alle religie van echten stempel is daarom altijd en overal, in alle landen en kerken, tot Calvijn, tot Augustinus, tot Paulus en Johannes, tot de H. Schrift teruggekeerd.

Ons hart is tot God geschapen en het rust niet, voordat het ruste gevonden heeft aan zijn Vaderhart. Een God van verre is geen God, zooals dien ons harte behoeft. In Hem moeten wij leven, ons bewegen en zijn.

En dat wordt gehandhaafd in de leer der inwendige, onverwinlijke genade. In haar belijden wij, dat God zelf met zijn Geest in ons woning komt maken, en ons in eene verbondsgemeenschap opneemt, welke van geen wijken of wankelen weet.

Gelijk Jezus het zegt: opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in mij en ik in U, dat ook zij in ons één zijn, opdat de wereld geloove, dat Gij mij gezonden hebt.


Welke gewichtige, godsdienstige belangen bij de leer der inwendige genade ook betrokken waren, toch hebben de Gereformeerden haar in de eerste plaats niet om die redenen en op grond van zulke overwegingen beleden en 40 verdedigd. Doch zij waren vast overtuigd, dat de leer van de onverwinlijke genade des Heiligen Geestes door God in zijn Woord was geopenbaard en op de H. Schrift was gegrond. Geen menschelijke redeneeringen en overleggingen, maar het Woord Gods was de vaste grond, waarop zij hun belijdenis deden rusten; dat Woord was het zwaard, waarmede zij streden; de staf, op welken zij steunden; het licht, waarbij zij wandelden.

Aan het onderzoek der Schrift en dies aan de diepere kennis der waarheid is de strijd met de Remonstranten in niet geringe mate bevorderlijk geweest. Vroeger was ook reeds, met het oog op de kinderen des verbonds en in tegenstelling met de Wederdoopers, op min of meer heldere wijze onderscheid gemaakt tusschen het vermogen en de daad des geloofs, tusschen de bekeering in lijdelijken en in dadelijken zin, of eene enkele maal zelfs tusschen wedergeboorte en bekeering.

Maar deze onderscheiding was toen nog niet algemeen in het bewustzijn doorgedrongen en ook niet algemeen in de belijdenis en in de dogmatiek opgenomen. De Nederlandsche Geloofsbelijdenis en de Heidelberger Catechismus bevatten er nog slechts zwakke aanwijzingen over. Dikwerf werd de beschrijving van de toepassing der heilsweldaden met de leer der geloofs of der bekeering aangevangen.

Maar hierin kwam verandering door de godsdiensttwisten in den aanvang der zeventiende eeuw. De Remonstranten zagen het, bijv. op de Haagsche Conferentie, zeer goed in, waartoe de Gereformeerden op hun standpunt komen moesten. Zij zelven leerden, aangezien niemand metterdaad gelooft zonder vooraf te willen gelooven, dat de mensch hetzij nog van nature de kracht moest bezitten, hetzij door de prediking des evangelies de kracht moest ontvangen, 41 om al of niet te gelooven. De wil moest op de eene of andere wijze vrij zijn, om, gelijk zij het bepaald uitdrukten, den aangeboden Geest der wedergeboorte al dan niet te ontvangen. De wedergeboorte of vernieuwing van den mensch begon dus met en hing af van de toestemming van zijn wil. En het geloof werd niet eerst als vermogen ingestort, maar begon als werk en als daad; de hebbelijkheid des geloofs ging niet aan het metterdaad gelooven vooraf, maar was daarvan de vrucht en werd door voortdurende oefening verkregen.

Tot staving van deze hunne meening beriepen de Remonstranten zich op al die plaatsen der Schrift, waar sprake is van het algemeene aanbod der genade en de mensch geroepen wordt tot geloof en bekeering. God had van zijne zijde alles gedaan, wat er tot redding van den mensch te doen was. Hij had zijnen wijngaard geplant en omtuind en van steenen gezuiverd en met edele wijnstokken beplant, en vraagde nu: wat is er meer te doen aan mijnen wijngaard, hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb? Jes. 5 : 1-4.

Van den mensch hing het naar deze voorstelling dus af, of hij al dan niet tot Christus wilde komen, Joh. 5 : 40; naar zijn Woord wilde hooren, Jer. 7 : 26, Ezech. 12 : 2, Zach. 7 : 11, Matth. 13 : 14, Hand. 28 : 26; zijne geboden wilde onderhouden, Ps. 78 : 56; den H. Geest wilde wederstaan, Jes. 63 : 10, Hand. 7 : 51. De beslissing over geloof en ongeloof berustte bij den mensch en lag in zijne hand.

En er is ook geen twijfel aan, dat de Schrift de schuld van het ongeloof, niet bij God maar bij den mensch zoekt. De Gereformeerde kerken, te Dordrecht vergaderd, beleden volmondig: dat er velen, door de bediening des evangelies geroepen zijnde, niet komen en niet bekeerd worden, daarvan 42 is de schuld niet in het evangelie, noch in Christus, door het evangelie aangeboden zijnde, noch in God, die door het evangelie roept en zelfs ook, dien Hij roept, onderscheidene gaven mededeelt; maar in degenen, die geroepen worden, van dewelken sommigen, zorgeloos geworden zijnde, het woord des levens niet aannemen; anderen nemen het wel aan, maar niet in het binnenste huns harten, en daarom is het, dat zij na eene kortstondige blijdschap van het tijdelijk geloof wederom terugwijken; anderen verstikken het zaad des Woords door de doornen der zorgvuldigheden en wellusten der wereld en brengen geene vruchten voort, hetwelk onze Zaligmaker leert in de gelijkenis van het zaad, Matth. 13.

Op Gereformeerd standpunt is het dus zoowel plichtmatig als mogelijk, om ook die plaatsen der H. Schrift, op welke de Remonstranten zich beroepen, ten volle tot haar recht te doen komen. De Schrift mag in geene van hare uitspraken verwrongen worden naar ons systeem. Zij stelt het boven allen twijfel, dat God in de uitwendige roeping het evangelie aanbiedt aan zondaren zonder onderscheid. en dat de mensch, deze roeping versmadende, zijn ongeloof en verderf alleen aan zichzelven te wijten heeft. In de roeping door het evangelie komt God langs zedelijken weg tot ons; Hij beschouwt ons niet als stokken en blokken, maar handelt met ons als redelijke schepselen. In de uitwendige roeping handhaaft God zijn recht op den mensch. De zondaar beeldt zich wel in, dat hij door de zonde vrij wordt en van den dienst van God ontslagen. Maar dat is niet zoo. Het recht Gods op den mensch blijft, hoe diep hij ook vallen moge, onvervreemdbaar en onkreukbaar. En daarom roept Hij hem voortdurend door natuur en geschiedenis, door wet en evangelie, opdat de mensch 43 beseffen zou, dat hij van rechtswege Gode toebehoort en tot zijn dienst en eere geschapen en bestemd is.

Maar, hoe duidelijk de Schrift dit alles ook leert en de schuld van het ongeloof op den mensch legt, zij blijft hierbij niet staan. Immers heeft de roeping een zeer verschillende uitkomst. Voor sommigen is Christus tot een val, voor anderen is Hij tot eene opstanding. Den eenen is het evangelie eene reuk des doods ten doode, den anderen eene reuk des levens ten leven. Vanwaar deze verschillende uitkomst? Hoe komt het, dat, terwijl velen zich verharden, anderen tot het geloof in Christus komen en in Hem hunne zaligheid vinden?

Daarvan kan, naar de leer der Schrift, de oorzaak niet liggen in den mensch. Want van nature zijn alle menschen gelijk. Zij zijn allen in ongerechtigheid geboren en in zonde door hunne moeder ontvangen. Het gedichtsel huns harten is boos van der jeugd aan, zoodat er uit dat hart allerlei booze bedenkingen en ongerechtigheden voortkomen. Hun verstand is verduisterd, zoodat zij het koninkrijk Gods niet kunnen zien en de dingen des Geestes Gods niet kunnen begrijpen. Het bedenken huns vleesches is vijandschap tegen God, zoodat het zich der wet Gods niet onderwerpt en niet onderwerpen kan. Zij zijn allen dienstknechten der zonde, die verdoemelijk zijn voor Gods aangezicht, en uit zichzelven niets goeds kunnen denken of doen, evenmin als een Moorman zijne huid, of een luipaard zijne vlekken veranderen en een kwade boom goede vruchten voortbrengen kan.

Als desniettemin de roeping eene verschillende uitkomst heeft, kan de oorzaak daarvan niet liggen in den mensch. De menschen onderscheiden zichzelven niet. God is het alleen, die naar zijn welbehagen onderscheid maakt. En 44 Hij doet dit daardoor, dat Hij degenen, die Hij van eeuwigheid heeft uitverkoren in Christus, ook in den tijd krachtiglijk roept, hun verstand door den Heiligen Geest verlicht, met de krachtige werking van denzelfden wederbarenden Geest in hun binnenste doordringt, het gesloten hart opent, den wil nieuwe hoedanigheden instort en hem van dood levend en van boos goed maakt, zoodat hij als een goede boom vruchten van goede werken voortbrengen kan.

Want zoo zegt de Schrift, dat de Heere naar zijne belofte aan zijn volk een nieuw, vleeschen hart en een nieuwen geest zal geven, zoodat zij dientengevolge den Heere kennen, met hun gansche hart liefhebben en tot Hem zich bekeeren, Hem vreezen en niet van Hem afwijken, in zijne inzettingen wandelen en zijne rechten bewaren en dezelve doen, Deut. 30 : 6, Ps. 51 : 12. Jer. 24 : 7, 31 : 33, 32 : 39, 40, Ezech. 11 : 19, 36 : 26 enz.

Al deze en dergelijke plaatsen werden door de Gereformeerden uit de Schrift te berde gebracht, om daarmede het gevoelen der Remonstranten te weerleggen. De dwaling dwong hen, om dieper dan vroegerop dit punt de Schrift te onderzoeken en met nog meer ernst dan weleer de waarheid in te denken, die hun toebetrouwd was.

En resultaat van dat onderzoek en nadenken was, dat de Gereformeerden veel juister en duidelijker dan vóór dien tijd leerden onderscheid maken, tusschen hetgeen God doet, en hetgeen de mensch doet op grond van wat God in hem gedaan heeft.

God is de eerste in het werk der zaligheid. Hij geeft, zonder eenige verdienste of voorwaarde onzerzijds, enkel en alleen naar zijn welbehagen, een nieuw hart; Hij verlicht het verstand, buigt den wil, regelt de genegenheden, wederbaart, wekt op, maakt levend, en Hij doet dat in ons 45 zonder ons. Niets staat er onzerzijds in, tusschen deze werking van Gods Geest in onze harten en de vrucht daarvan, welke in engeren zin wedergeboorte, nieuwe schepping, opwekking, levendmaking heet. Er komt geen toestemming van ons verstand, geen beslissing van onzen wil, geen wensch van ons hart tusschen beide in. God brengt dit werk door zijn Geest rechtstreeks, inwendig, onoverwinlijk in onze harten tot stand.

Maar als de mensch dan alzoo vernieuwd is naar verstand en hart en wil, dan begint hij, van God bewogen zijnde, ook zelf te werken. Door de genade, die hij ontvangen heeft, gelooft en bekeert hij zichzelf, heeft hij God lief, wandelt in zijne inzettingen en bewaart zijne geboden (Dordsche Leerregels III, IV 12.)

Het onderscheid tusschen wedergeboorte en bekeering (geloof) is door de Dordsche Synode op grond van de Heilige Schrift tot het gemeengoed der Gereformeerde kerk en theologie gemaakt.


x
This website is using cookies. Accept