Magnalia Dei (1e druk)

§ 8.

Schrift en Belijdenis.

119 Het ontbrak in den tijd der apostelen en daarna niet aan allerlei verschil over het wezen van het Christendom en over de verhouding, waarin het stond tot Jodenen Heidendom. Maar des te verwonderlijker is de eenstemmigheid, waarmede de Schrift als het Woord Gods in de gansche Christelijke kerk is aanvaard. Dit geldt in de eerste plaats van het Oude Testament, In het onderwijs 120 van Jezus en de apostelen werd er telkens gewag van gemaakt en een beroep op gedaan. Ongemerkt en als gold het de natuurlijkste zaak ter wereld, ging met het onderwijs van Jezus en de apostelen het gezag van het Oude Testament uit de Joodsche kerk in de Christelijke gemeente over. Het Evangelie bracht het Oude Testament mede en kon zonder dit niet aangenomen en erkend worden. Het Evangelie is immers de vervulling van de beloften des Ouden Testaments en hangt zonder deze in de lucht, en het Oude Testament is het voetstuk, waar het Evangelie op rust, de wortel, waaruit het gegroeid is. Zoodra het Evangelie ergens ingang vond, werden daarmede en daarin ook tegelijk en zonder eenige tegenspreking de Schriften des Ouden Testaments als het Woord Gods aanvaard. De Nieuw-testamentische gemeente bestond dus geen oogenblik zonder Bijbel; van den beginne af was zij in 't bezit van de wet, de psalmen en de profeten.

Daarbij kwamen nu al spoedig de apostolische geschriften. Ten deele waren deze geschriften, zooals de Evangeliën en de algemeene zendbrieven, voor de gansche kerk bestemd; ten deele waren zij, zooals de andere brieven, aan eene bepaalde gemeente te Rome, te Corinthe, te Colosse enz. geadresseerd.

Het ligt voor de hand, dat al deze geschriften, als van apostelen en apostolische mannen afkomstig, van den beginne af bij de Christelijke gemeenten in groot aanzien stonden, in de vergadering werden voorgelezen en ook wel aan andere gemeenten ter lezing werden toegezonden. Zoo verzoekt de apostel Paulus zelf, dat de zendbrief, dien hij aan de gemeente te Colosse schrijft, na aldaar gelezen te zijn, ook in de gemeente te Laodicea gelezen worde, en dat men omgekeerd ook in Colosse kennis neme van den brief, dien hij uit Laodicea geschreven heeft en waarmede waarschijnlijk de brief aan Efeze wordt bedoeld, Col. 4:16. En in 2 Petr. 3:15, 16 maakt Petrus niet alleen gewag van een zendbrief, dien zijne lezers kort geleden van Paulus ontvangen hebben, maar spreekt hij ook van andere brieven van dezen apostel, die wel dezelfde leer bevatten als die, welke Petrus voordraagt, maar die soms moeilijk te verstaan zijn en door ongeleerde en onvaste menschen verdraaid worden. Uit deze plaats kan nu wel niet worden afgeleid, dat er toen reeds eene verzameling van Paulinische brieven bestond; maar wel volgt er duidelijk uit, dat de geschriften van Paulus 121 in veel wijder kring bekend waren dan in de plaatselijke gemeenten, aan welke zij ieder! in het bijzonder gericht waren. Natuurlijk putten de gemeenten in den eersten tijd hare kennis van het Evangelie grootendeels uit de mondelinge prediking van de apostelen en hunne leerlingen.

Maar toen dezen uitstierven en hunne verkondiging ophield, moesten de geschriften der apostelen vanzelf hoe langer hoe meer in waarde rijzen. Uit getuigenissen omstreeks het midden der tweede eeuw weten wij dan ook, dat de Evangeliën en straks ook de Brieven geregeld in de vergadering der geloovigen gelezen, tot bewijs van eene of andere waarheid aangehaald, en met de geschriften des Ouden Testaments op ééne lijn geplaatst werden. Tegen het einde der tweede eeuw gelden de schriften des Nieuwen Testaments te zamen met die van het Oude Testament, als „de gansche Schrift”, als „het fundament en de pilaar van ons geloof”, als de Schrift, welke geregeld in de godsdienstige samenkomsten gelezen werden (Irenaeus, Clemens Alexandrinus, Tertullianus). Over sommige geschriften (Hebr., Jak., Jud, 2 Petr. 2 en 3 Joh. Openb. van Joh.; brief van Barnabas, de Herder van Hermas enz.) bestond er nog langen tijd verschil, of zij al dan niet tot de heilige Schriften te rekenen waren. Maar ook hierover kwam allengs meer klaarheid en eenstemmigheid; de algemeen erkende geschriften werden onder den naam van kanon (regel der waarheid of des geloofs) samengevat en op de synode te Laodicea in het jaar 360, te Hippo Regius in Numidië in het jaar 393, en te Carthago in 397 als zoodanig geregistreerd en vastgesteld.

Deze Schriften des Ouden en Nieuwen Testaments vormen het fundament van profeten en apostelen, waarop alle Christelijke kerken in gemeenschap met elkander zich plaatsen of althans beweren zich te plaatsen. Alle kerken hebben in hare belijdenissen officieel het Goddelijk gezag dier Schriften erkend en als een betrouwbaren regel van ge-loof en leven aanvaard. Over dit dogma is er tusschen de Christelijke kerken onderling nooit verschil of strijd geweest; de strijd tegen de Schrift als het Woord Gods kwam vroeger ook wel van buiten, van den kant van Heidensche wijsgeeren zooals Celsus en Porphyrius in de tweede eeuw, maar dagteekent binnen de Christenheid eerst uit de achttiende eeuw.

122 Maar nu heeft de gemeente deze Schrift niet van God ontvangen, om er stil op te rusten, en nog veel minder, om dezen schat in de aarde te begraven. Zij heeft integendeel de roeping, om dit Woord Gods te bewaren, uit te leggen, te verkondigen, toe te passen, te vertalen, te verspreiden, aan te prijzen, te verdedigen, in één woord, om de gedachten Gods, in de Schrift neergelegd, overal en ten allen tijde te doen triomfeeren over de gedachten van den mensch. Al de werkzaamheid, waartoe de gemeente geroepen is, is een arbeid aan en eene bediening van het Woord Gods. Het is bediening van het Woord Gods, als het in de vergadering der geloovigen gepredikt, verklaard en toegepast wordt, als het in de teekenen des verbonds uitgedeeld en in de tucht gehandhaafd wordt. Maar tot den dienst des Woords in ruimer zin behoort ook, dat het in eigen hart en leven, in beroep en bedrijf, in huis en werkplaats, in wetenschap en kunst, in staat en maatschappij, in werken van barmhartigheid en zending, naar alle zijden en in alle richtingen van het leven toegepast, uitgewerkt en tot heerschappij gebracht wordt. De gemeente moet zijn een pilaar en vastigheid der waarheid, 1 Tim. 3:15, dat wil zeggen, een zuil en grondslag, die de waarheid, niet op zichzelve, want dan rust de waarheid in zichzelve, dat is in God, maar die de waarheid hier op aarde tegenover de wereld draagt en handhaaft en bevestigt. Als de kerk dit nalaat en vergeet, verzaakt zij haar roeping en ondermijnt zij haar eigen bestaan.

Zoodra de gemeente echter zich van deze hare roeping begint te kwijten, wordt er gewoonlijk spoedig verschil over den zin van het Woord Gods openbaar. Al is toch de H. Geest aan de kerk beloofd en geschonken tot een leidsman in alle waarheid, daarmede is de gemeente, noch in haar geheel noch ook in hare bijzondere leden, met de gave der onfeilbaarheid toegerust. Reeds in de apostolische gemeenten deden zich allerlei dwalingen voor, die óf in het Jodendom óf in het Heidendom haar oorsprong hadden. En deze zijn alle eeuwen door de twee klippen, waarop de gemeente voortdurend gevaar loopt te stranden en welke zij dus met de meeste waakzaamheid en voorzichtigheid heeft te vermijden.

Tegenover die dwalingen ter rechteren ter linkerzijde ziet de kerk van Christus zich dan genoodzaakt, beslist en duidelijk uit te spreken, welke de waarheid is, door God in Zijn Woord haar toebetrouwd. Dat 123 doet de kerk, door in kleinere en grootere vergaderingen (synoden) samen te komen en daar vast te stellen, wat op een of ander punt, naar hare overtuiging, als goddelijke waarheid en dus als leer der kerk te gelden heeft. De waarheid, welke in de Schrift is neergelegd, leidt dus van zelve bij elk, die haar gelooft en omhelst, tot eene belijdenis. Belijden is de roeping van alle geloovigen en ook de drang van hun hart; wie waarlijk gelooft, met heel zijn hart en ziel, die kan niet anders dan belijden, dat is, getuigenis afleggen van de waarheid, die hem heeft vrijgemaakt, en van de hope, welke door die waarheid in zijn hart is geplant, Matth. 10:32, Rom. 10:9, 10, 2 Cor. 4:13, 1 Petr. 3:15, 1 Joh. 4:2, 3. Ieder geloovige en elke gemeente belijdt dus, zoo waarlijk als ze het getuigenis des H. Geestes in zich draagt, dat Gods Woord de waarheid is. En naarmate de dwalingen een fijner vorm aannemen, wordt de gemeente gedrongen, zich met des te meer zorgvuldigheid rekenschap te geven van den inhoud der waarheid, dien zij belijdt, en ook in belijnde en ondubbelzinnige termen uit te spreken, wat zij gelooft. De mondelinge belijdenis gaat daarmede vanzelve, door den drang der omstandigheden, in de beschreven belijdenis (symbool, confessie) over.

Van verschillende zijden is er nu wel tegen het opstellen en handhaven van zulk eene kerkelijke belijdenis bezwaar ingebracht. De Remonstranten hier te lande bijv. waren van meening, dat eene confessie met het uitsluitend gezag der H. Schrift in strijd was, aan de conscientie de vrijheid ontroofde, en den wasdom der kennis tegenhield. Maar deze tegenwerpingen berusten op misverstand; de belijdenissen dienen niet, om de Schrift terug te dringen, maar juist om haar te handhaven en tegen individueele willekeur te beveiligen; zij schenden niet maar steunen de vrijheid des gewetens tegenover allerlei dwaalgeesten, die de zwakke en onkundige zielen trachten te verleiden; en zij gaan de ontwikkeling der kennis niet tegen, maar houden en leiden deze in het rechte spoor, en zijn zelve ten allen tijde op wettige wijze aan de H. Schrift als den eenigen regel des geloofs te toetsen en te herzien.

De apostolische geloofsbelijdenis (de 12 artikelen) is het oudste symbool. Het werd wel niet door de apostelen opgesteld, maar het ontstond toch reeds in het begin der tweede eeuw, en ontwikkelde zich uit het 124 trinitarisch doopsbevel, dat Christus zelf gegeven had, Matth. 28:19. Oorspronkelijk was het iets korter, dan wij het thans kennen, maar de grondtype was dezelfde; het was eene korte opsomming van de groote feiten, waarop het Christendom rust, en is als zoodanig nog altijd de gemeenschappelijke grondslag en de onverbreekbare band der gansche Christenheid. Bij dit apostolisch symbool komen nog vier andere belijdenisschriften, die een oecumenisch (algemeen) karakter dragen, en door vele kerken worden aangenomen, n.l. de belijdenis van het concilie te Nicea in 325; de belijdenis, die in art. 9 van onze Nederl. Geloofsbelijdenis de geloofssom van Nicea heet, doch, ofschoon de belijdenis van Nicea opnemende, deze toch uitbreidt en eerst geruimen tijd later is ontstaan; vervolgens de belijdenis van het concilie van Chalcedon in 451; en eindelijk nog de ten onrechte zoo genoemde Geloofsbelijdenis van Athanasius, welke ook in art. 9 der Ned. Confessie als symbool wordt aanvaard.

In al deze symbolen wordt de leer over Christus en over de Drieëenheid uiteengezet. Daarover liep toch in de eerste eeuwen de groote strijd. Wat dunkt u van den Christus? —. dat was de allesbeheerschende vraag, welke de gemeente uit des Heeren Woord zichzelve en tegenover de gansche wereld beantwoorden moest.

Naar Joodsche zijde helden al diegenen over, welke Jezus wel wilden erkennen als een mensch, door God gezonden, met buitengewone gaven toegerust, door den profetischen geest bezield, machtig in woorden en in werken, maar dan toch overigens niet meer dan een mensch. En van Heidenschen kant wilde men in Jezus wel een godenzoon, eene Godsgestalte zien, die uit den hemel afkomstig was en, evenals de engelen in het Oude Testament, eene korte poos op aarde zich ver-toond, en een schijnlichaam aangenomen had; maar men weigerde in Hem te belijden den Eengeborene van den Vader, die vleesch geworden was. En tegenover deze beide ketterijen moest de gemeente, in aansluiting bij de Schrift, zoowel handhaven, dat Christus was de waarachtige, eengeboren Zoon van God, als ook dat Hij waarlijk in het vleesch gekomen was. Dat sprak zij na lange worsteling in de bovengenoemde. belijdenisschriften uit, en zij verwierp met den apostel Johannes als anti-christelijk alle leer, welke loochent, dat de Zone Gods in het vleesch gekomen is, 1 Joh 2:18, 22, 4:2, 3. Daarmede handhaafde 125 de Christelijke kerk het wezen en de kern, de gansch bijzondere eigenaardigheid van den Christelijken godsdienst. En daarom hebben de conciliën en synoden, waarin dit groote werk tot stand is gekomen, voor heel de Christenheid zulk eene groote, fundamenteele beteekenis. In de feiten van het Christendom, welke de apostolische belijdenis opsomt, en in de leer van den persoon van Christus en van het drieeenig wezen Gods bestaat er tusschen de Christelijke kerken eene overeenstemming, welke ze alle onderling tegenover Jodendom en Heidendom vereenigt, en die bij het droeve verschil, dat haar verdeelt, niet vergeten en niet miskend mag worden.

Maar op den gemeenschappelijken grondslag is er toch spoedig allerlei oneenigheid en scheuring gerezen. De practijk der tucht leidde tot de afscheidingen van het Montanisme (2e helft der 2e eeuw), het Novatianisme (midden 3e eeuw) en het Donatisme (4e eeuw). Veel ernstiger was nog de scheuring, die langzamerhand tusschen de kerk in het Oosten en die in het Westen zich voltrok. Verschillende oorzaken droegen daartoe het hare bij: in de eerste plaats de afkeer tusschen Grieken en Latijnen, de naijver tusschen Constantinopel en Rome, de twist om de oppermacht tusschen de patriarchen en den paus.

Daarbij kwamen vele kleinere verschillen in leer en eeredienst, van welke het voornaamste bestond in de belijdenis der Grieksche kerk, dat de H. Geest in het Goddelijk wezen niet uitging van den Vader en den Zoon (filioque), gelijk het Westen leerde, maar alleen van den Vader. De scheiding, die nu en dan reeds voor een tijd tot stand kwam, kreeg in 1054 haar volledig beslag. De kerk in het Oosten, die zich bij voorkeur de orthodoxe noemt, omdat zij naar hare meening beter dan Rome aan de leer der oude kerk trouw is gebleven, leed groote verliezen door allerlei secten (Armenische Christenen; Nestorianen in Syrië; Thomas-Christenen in Perzië, Monophysitische Jakobieten in Syrië en Kopten in Egypte; Maronieten in den Libanon), die zich van haar afscheidden, en vooral ook door het Mohammedanisme, dat in 1453 zelfs meester van Constantinopel werd.

Daarentegen kreeg zij eene belangrijke aanwinst door de bekeering der Slaven, en bestaat zij thans nog als de orthodoxe kerk in Griekenland, Turkije, Rusland en in enkele kleine landen, zooals Bulgarije, Servië, Rumenië. In Rusland wordt echter haar bestaan door het optreden 126 van vele talrijke en zeer uiteenloopende secten ondermijnd. Evenals de staat, verkeert er ook de kerk in eene zeer ernstige crisis.

In het Westen breidde de macht der katholieke kerk, onder leiding van de bisschoppen van Rome, van eeuw tot eeuw zich uit. Op een langen tijd van vervolging en smaad volgde na de bekeering van Keizer Constantijn tot het Christendom een tijd van rust, bevoorrechting en aanzien. Ofschoon de verwereldlijking hand over hand toenam, heeft de kerk toch ook in het tijdperk van Constantijns bekeering af tot aan de Reformatie toe zeer groote verdiensten zich verworven. Gelijk zij in de eerste eeuwen het Heidendom weerstond en overwon, zoo heeft zij ook later ijverig gearbeid aan de bekeering der volken en de beschaving van Europa, de groote waarheden van het Christendom en de zelfstandigheid der kerk met prijzenswaardige standvastigheid gehandhaafd, en tot de ontwikkeling eener Christelijke kunst en wetenschap krachtig medegewerkt. Maar welke hare verdiensten ook waren, het kan kwalijk ontkend worden, dat zij bij haar uitbreiding en machtsontwikkeling meermalen in eene richting zich bewoog, die door het oorspronkelijk, apostolisch Christendom niet aangewezen was. Dat komt vooral in drieërlei opzicht uit.

Ten eerste heeft de katholieke kerk de traditie meer en meer verheven tot een zelfstandigen geloofsregel naast, boven en zelfs tegenover de H. Schrift. Tal van Roomsche leerstellingen en practijken, zooals bijv. de mis, het coelibaat voor de geestelijkheid, de vereering der heiligen, de onbevlekte ontvangenis van Maria enz. zijn met geen woord uit de Schrift te bewijzen, maar worden toch gehandhaafd op grond van de overlevering. Van deze overlevering heet het, dat zij alleen bevatten mag, „wat overal, altijd en door allen geloofd is”, maar ten slotte wordt toch altijd door den paus uitgemaakt, of iets traditie is.

Daardoor wordt heel de verhouding van Schrift en Kerk bij Rome omgekeerd. De Schrift is niet noodzakelijk, doch alleen nuttig voor de kerk, maar de kerk is noodzakelijk voor de Schrift. Want de Schrift heeft geen gezag, dan door de kerk, die haar geloofwaardig verklaart; zij is onduidelijk in zichzelve en wordt eerst duidelijk door de uitlegging der kerk; zij gaat niet vooraf aan en is niet het fundament van de kerk, maar de kerk neemt de eerste plaats in en maakt ook den 127 grondslag uit, waarop de Schrift rust. Al waren de profeten en apostelen de gave der inspiratie deelachtig, ook de paus geniet, wanneer hij „ex cathedra”, in zijne pauselijke qualiteit spreekt, eene bijzondere ondersteuning en leiding des Geestes en is onfeilbaar. Zoo is de kerk dus genoegzaam in zich zelve, desnoods de Schrift kunnende missen; zij is de eenige, ware, volkomene middelares des heils; bezitster en uitdeelster in de sacramenten van alle weldaden der genade; het middel der genade bij uitnemendheid, de staat en het rijk Gods op aarde.

Ten tweede heeft de katholieke kerk de kern van het Evangelie, dat is, de vrije genade Gods, de rechtvaardigmaking des zondaars door het geloof alleen, zonder de werken der wet, zoo niet geheel verloren dan toch met zeer onzuivere bestanddeelen vermengd, en alzoo het onderscheid tusschen wet en evangelie verward. Reeds in de eerste eeuwen komt deze verbastering van het oorspronkelijk Evangelie voor. Maar later nam zij toe en werd zij officieel goedgekeurd. In den strijd tusschen Augustinus en Pelagius, die principieel nog altijd voortduurt, heeft de Roomsche kerk vooral na de Hervorming meer en meer, niet in naam, maar metterdaad, voor den laatste partij gekozen. God geeft wel aan den mensch, die het Evangelie hoort, de macht, om zich te bekeeren en in de bekeering te volharden. Maar het willen en volbrengen hangt van den mensch zelven af. Door goede werken moet hij zich den ingang tot het koninkrijk Gods verwerven.

Die goede werken vallen bij Rome in twee groote groepen uiteen, in werken ter onderhouding van de gewone, voor allen geldende geboden, en in werken ter volbrenging van de door Christus aan die geboden nog toegevoegde raadgevingen (coelibaat, armoede en gehoorzaamheid). De eerste weg is goed, maar de tweede is beter, moeilijker doch ook korter en veiliger; gene is voor de leeken, deze voor de monniken en nonnen geschikt. Wie op dezen weg der goede werken wandelt, ontvangt van de kerk door middel van de sacramenten telkens zooveel genade, als hij zich heeft waardig gemaakt. Eindelijk komt hij, indien hij ten einde toe volhardt, niet reeds bij de wedergeboorte noch ook zelfs bij den dood, maar na een jarenlang verblijf in het vagevuur, in het hemelrijk aan.

Ten derde heeft de katholieke kerk al spoedig een onderscheid tusschen geestelijkheid en leeken gemaakt. Niet de geloovigen in het 128 algemeen, maar de geestelijken alleen zijn priesters in eigenlijken zin. En in den geestelijken stand zijn allengs ook weer allerlei onder-scheidingen aangebracht.

In het Nieuwe Testament zijn de namen: ouderling en opziener, aanduiding van dezelfde ambtsdragers. Maar reeds in de tweede eeuw werd deze eenheid uit het oog verloren; de opziener (episcopus, bisschop) werd hoog boven de diakenen en ouderlingen (of presbyters, priesters) verheven en langzamerhand als een opvolger van de apostelen en als een bewaarder van de traditie beschouwd. Deze bisschoppen hebben domheeren, pastoors, kapelanen onder zich en hebben aarts-bisschoppen, patriarchen en eindelijk den paus boven zich. In den paus, die op het Vaticaan-concilie te Rome in 1870 officieel onfeilbaar werd verklaard, sluit deze gansche, wijdvertakte, kerkelijke hierarchie zich af. Hij is de „vader” (papa, paus) der gansche kerk, de „opperste priester”, de opvolger van Petrus, de „plaatsvervanger van Christus”, de hoogste wetgevende en rechtsprekende macht, die met behulp van een groot college van beambten (curie: kardinalen, praelaten, procuratoren, notariï enz.) de gansche kerk regeert.

Deze dwalingen, die met kleine afwijkingen begonnen zijn, hebben in den loop der eeuwen steeds grooter afmetingen aangenomen. Zij hebben zich ontwikkeld en ontwikkelen zich nog altijd voort in deze richting, dat de Christelijke, katholieke kerk van ouds hoe langer hoe meer overgaat in de Ultramontaansche, in de Roomsche (aan de gemeente te Rome onlosmakelijk gebonderie), in de Pauselijke kerk, waarin Maria, de moeder van Christus, en de paus, de plaatsvervanger van Christus, den persoon en het werk van Christus steeds verder op den achtergrond dringen. De drie bovengenoemde dwalingen zijn eene verkorting van en eene inbreuk op het profetisch, het priesterlijk, en het koninklijk ambt van Christus.

Deze verbastering der kerk is niet voortgeschreden zonder telkens optredend krachtig verzet. Vooral in de Middeleeuwen ontbrak het niet aan personen en richtingen, die verbetering wilden aanbrengen. Maar al deze bewegingen hebben toen weinig succes gehad; ten deele zijn ze stil voorbij gegaan, zonder veel vrucht na te laten; ten deele zijn zij ook gewelddadig onderdrukt en in bloed gesmoord. Ook tegenover 129 de Hervorming in de zestiende eeuw zijn deze middelen tot onderdrukking en uitroeiïng aangewend, maar zij hebben toen niet gebaat. Dat kwam, omdat de tijden toen voor eene hervorming rijp waren. De kerk was in zoo diep godsdienstig en zedelijk verval, dat zij door haar eigen zonen niet meer vertrouwd werd; overal was er een besef, dat het zoo niet blijven kon, en een verlangen, dat er iets gebeuren mocht; en niet gering was het aantal van hen, die, bijvoorbeeld in Italië, met allen godsdienst en Christendom den spot dreven en tot volslagen ongeloof vervielen.Wat er zonder de Reformatie van de kerk terecht gekomen zou zijn, valt niet te zeggen; de Hervorming is ook voor de Roomsche kerk ten zegen geweest, gelijk zij het nog voor haar in deze dagen is.

Voorts was de Reformatie niet de eenige machtige beweging, die toen den nieuwen tijd aankondigde. Ze werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd door andere bewegingen, die ieder op haar terrein niet minder belangrijk waren. De uitvinding van de boekdrukkunst en van het buskruit, de opkomst van den vrijen burgerstand, de ontdekking van Amerika, de „wedergeboorte” der litteratuur en kunst, de nieuwe natuurwetenschap en wijsbegeerte — al deze gewichtige verschijnselen en gebeurtenissen waren teekenen van de ontwaking van het zelfbewustzijn, van den overgang uit de Middeleeuwen tot den nieuwen tijd.

En door al deze bewegingen werd de Reformatie, schoon van een eigen beginsel uitgaande en een eigen doel najagende, gedragen en gesteund.

En dan — wat niet het minste zegt — de Hervorming tastte bij haar verzet tegen de Roomsche kerk het kwaad in den wortel aan. Zij was niet met eene uitwendige verbetering in de vormen tevreden, maar wilde, dat de oorzaak voor het bederf zou weggenomen worden. Daartoe had zij natuurlijk een vast uitgangspunt, een betrouwbaren maatstaf, een positief beginsel van noode. En dat vond zij, tegenover de overleveringen der Roomsche kerk, in het woord van Christus, dat geloofwaardig was in en om zichzelve, noodzakelijk voor het leven en het welzijn der kerk maar ook volkomen genoegzaam en duidelijk; tegenover de goede werken, waaraan Rome de zaligheid bond, in het werk van Christus, dat volmaakt was en geen aanvulling van menschen behoefde; en tegenover den paus, die de onfeilbare plaatsvervanger van Christus beweerde 130 te zijn, in den Geest van Christus, die in de gemeente is uitgestort en alle kinderen Gods in de waarheid leidt.

Tot dit positief beginsel kwam de Hervorming niet door wetenschappelijk onderzoek en nadenken, maar door de ervaring van het schuldbeladen hart, dat ten slotte alleen in Gods vrije genade verzoening en vergeving vond. De Hervorming was geen wijsgeerige, geen wetenschappelijke, maar eene godsdienstig-zedelijke beweging. Velen sloten zich bij haar aan, gelijk het bij elke scheiding en scheuring toegaat, uit onzuivere en onedele beweegredenen; maar haar kern werd gevormd door de vermoeiden en beladenen, die zuchtten onder Rome’s druk en nu weer rust voor hunne zielen gevonden hadden aan de voeten des Heilands.

Bij deze ervaring der schuldvergiffenis bleef Luther staan. Het was hem genoeg, dat hij „een genadigen God” gevonden had. Wel zag hij nu van uit dit standpunt, dat hij ingenomen had, veel vrijer en ruimer over heel de wereld heen, dan de Roomsche Christen, bij wien het natuurlijke altijd het karakter van het profane draagt; maar rustend in de rechtvaardigmaking, die hij door het geloof alleen verkregen had, liet hij al het wereldlijke, kunst en wetenschap, staat en maatschappij aan eigen lot over. De Luthersche Hervorming beperkte zich tot het herstel van het predikambt. Toen zij uit de Schrift het antwoord gevonden had op de vraag: hoe wordt de mensch zalig? toen zag zij van verderen arbeid af.

Voor Zwingli en Calvijn, die de reformatie in Zwitserland ter hand namen, begon daarmede echter de arbeid eerst. Ook zij kwamen tot hervorming, niet door verstandelijke redeneering, maar door de ervaring van zonde en genade, van schuld en verzoening. Doch deze ervaring was wel hun uitgangspunt, maar niet hun einden rustpunt. Vandaar drongen zij dieper door en gingen zij verder terug. Achter de genade Gods, die in de schuldvergiffenis openbaar wordt, ligt de souvereiniteit Gods, het oneindige en aanbiddelijke wezen Gods met al zijne deugden en volmaaktheden. Als God souverein was in het werk der zaligheid, dan was Hij dat altijd en overal, in de schepping zoowel als in de herschepping. Als Hij Koning geworden was in het hart, dan moest Hij het ook zijn in het hoofd en de hand, in het huisgezin en de werkplaats, in den staat en de maatschappij, in de wetenschap en de 131 kunst. De vraag was niet genoeg: hoe wordt de mensch zalig? maar ze moest herleid worden tot deze andere, hoogere, diepere, allesomvattende: hoe komt God tot zijne eer? En vandaar, dat voor Zwingli en nog meer voor Calvijn, toen zij vrede voor hun hart gevonden hadden in het bloed des kruises, de arbeid der reformatie eerst begon. Om zoo te zeggen, lag de gansche wereld voor hen open, niet om ze aan eigen lot over te laten, maar om ze te doordringen en te heiligen door het Woord van God en het gebed. Zij begonnen in hun naaste omgeving, met de kerk en de stad hunner inwoning; en zij herstelden niet alleen het predikambt, maar ook den eeredienst en de tucht; niet alleen het godsdienstig leven op den Zondag, maar ook het burgerlijk en maatschappelijk leven in de dagen der week; niet alleen het private leven van den burger, maar ook het publieke leven van den staat. En vandaar breidde hunne reformatie tot andere landen zich uit. De Luthersche Hervorming beperkte zich in hoofdzaak tot Duitschland en Denemarken, Zweden en Noorwegen. Maar de Hervorming van Calvijn vond ingang in Italië en Spanje, Hongarije en Polen, Zwitserland en Frankrijk, België en Nederland, Engeland en Schotland, in Amerika en Canada. Als zij niet door de „contrareformatie” der Jezuïten in vele landen ware tegengewerkt, teruggedrongen, uitgeroeid, zou zij aan Rome’s wereldheerschappij voor goed een einde hebben gemaakt.

Dat heeft zoo niet mogen zijn. De Hervorming werd van den aanvang af bestreden door Rome’s kerk, die op het concilie van Trente welbewust zich tegenover haar stelde en voortschreed op den ingeslagen weg. Zij verzwakte zichzelve door inwendige verdeeldheid en eindelooze twisten. En naast haar traden nog in dezelfde zestiende eeuw het Socinianisme en het Anabaptisme op, die beiden van dezelfde grondgedachte uitgingen, van de onverzoenbare tegenstelling n.l. tusschen natuur en genade, en daarom óf de genade aan de natuur, óf de natuur aan de genade ten offer brachten. Dezelfde tegenstelling, tusschen schepping en herschepping, tusschen het menschelijke en het goddelijke, tusschen de rede en de openbaring, tusschen de aarde en den hemel, tusschen humaniteit en Christendom, of hoe men de leden der tegenstelling verder noemen moge, dezelfde tegenstelling werkte ook later en tot op den huidigen dag door. Bij de scheidingen en 132 scheuringen, die in de zestiende eeuw reeds plaats vonden, bleef het niet. Elke volgende eeuw vermeerderde haar aantal. De zeventiende eeuw gaf het aanzijn aan het Remonstrantisme in Nederland, het Independentisme in Engeland, het Piëtisme in Duitschland. In de achttiende eeuw kwamen daar het Herrnhuttisme, het Methodisme en het Swedenborgianisme bij en werden alle kerken door den vloedgolf van het Deïsme overstroomd. Na de Fransche Revolutie, in het begin der negentiende eeuw, had er eene machtige godsdienstige ontwaking plaats in Roomsche en Protestantsche kerken. Maar desniettemin namen de scheidingen nog altijd toe: Darbysme en Irvingianisme, Mormonisme en Spiritisme en allerlei andere secten brokkelen de kerken af, die zelve dikwerf innerlijk door een geest van twijfel en onverschilligheid worden verzwakt en -verteerd. En buiten de kerken organiseert zich de macht van het monisme in materialistischen of pantheïstischen vorm tot een laatsten, doodelijken aanval op heel het Christelijk ge-loof.

Op de eenheid en algemeenheid der kerk van Christus schijnt alzoo alle hoop verloren te zijn. Van de ruim 1500 millioen menschen, die naar gewone schatting op de aarde wonen, zijn er ongeveer 10 millioen Joden, 175 millioen Mohammedanen, 214 millioen Brahmanen, 120 millioen Buddhisten, 300 millioen Kongfutseanen, 140 millioen Shintoïsten, 173 millioen Polytheïsten. De Christenen maken al te zamen nog maar een derde gedeelte van de inwoners der aarde uit, n.l. ongeveer 534 millioen, en zijn onderling weer in 254 millioen Roomschen, 106 millioen Griekschen, 165 millioen Protestanten, en in velerlei andere groepen en secten verdeeld.

Daar is één troost — Christus vergadert de zijnen uit alle geslachten en talen, uit alle volken en natiën; Hij zal ze allen toebrengen en zij zullen Zijne stemme hooren. En het zal worden ééne kudde, één Herder, Joh. 10:16.





Please send all questions and comments to Dmytro (Dima) Bintsarovskyi:
dbintsarovskyi@tukampen.nl

x
This website is using cookies. Accept